Met het duet van Sonny en Cher wordt Sanne wakker. Zoals elke ochtend is er geen spoor meer van de veldslag die gisteren op haar achterwerk heeft gewoed. Ze kleedt zich weer aan en pakt daarna de spullen die ze op haar mentale lijstje heeft gezet. Ze kamt haar haar en neemt haar dagelijkse ontbijt. Het groeten van de kassière slaat ze vandaag over, want als haar plan goed uitpakt, heeft ze niets van haar nodig. Ze schrokt haar ontbijt naar binnen en is zo zelfs de scène van het gooien met het dienblad voor. Ze haalt nog wel even wat fruit en loopt langs de moestuin met haar opréchte excuses voor de bewaker. Voor de zekerheid belooft ze zelfs de komende maand in de tuin te komen werken. Net als de afgelopen dagen strijkt hij met de hand over zijn hart en laat hij haar ongeschonden gaan.

Eerst werkt ze de meest lucratieve adressen af, om aan voldoende contant geld te komen. Dan loopt ze de wijk uit en volgt ze de weg langs de rand van het dorp. Ze blijft deze weg enkele kilometers volgen, tot haar enkelband begint te piepen. Nu ze weet waar de grens ligt, draait ze om en loopt ze weer terug het dorp in. Ze gaat zitten in het eetcafé en wacht op Daan. Deze keer spreekt ze hem aan. Hij gaat er gewillig op in. Ze weet inmiddels welke onderwerpen ze kan aansnijden om zijn aandacht te trekken. Met haar hand gaat ze, gespeeld per ongeluk, naar zijn arm die op tafel ligt en ze raakt deze zachtjes aan. Haar gebaren spiegelen die van Daan. Hij is zichtbaar geïnteresseerd. Dan kijkt ze plots verschrikt. “Hoe laat is het?” vraagt ze in lichte paniek. Daan kijkt op zijn horloge. “Half twee, hoezo?” “O nee!” roept Sanne uit, “ik kom te laat en dan word ik gestraft! Mag ik soms je fiets lenen? Ik breng ‘m morgen terug!” Even twijfelt Daan, maar dan besluit hij haar te vertrouwen en pakt zijn sleuteltje.

Sanne fietst terug naar de rand waar ze net is geweest. Ze pakt haar tasje en haalt een schaar tevoorschijn. Met de snijvlakken begint ze de enkelband los te snijden. Langzaam springen de vezels uit elkaar, tot ze een kwartier later eindelijk de hele band open heeft. De band begint onmiddellijk te piepen. Ze pakt de band en gooit deze over de grens. Dan stapt ze op haar fiets en rijdt zo snel mogelijk terug naar het dorp. Door de kleine steegjes en de afgelegen wegen steekt ze over naar de andere kant van het dorp en daar neemt ze een zandweg naar de volgende plaats. Ze blijft rijden en rijden tot ze daar aankomt. Van haar geld koopt ze een flinke fles cola en drinkt die half leeg nog voor ze heeft afgerekend. Achter de kassière hangt een ouderwets klein tv’tje waarop de lokale omroep wordt afgespeeld. Ineens ziet ze haar gezicht voorbijkomen. Lijkbleek gooit ze een briefje op de toonbank en in het weglopen schreeuwt ze dat ze het wisselgeld mogen houden. Snel springt ze op haar fiets en rijdt ze naar de volgende plaats.

Halverwege de volgende zandweg ziet ze een grote houten blokhut. Aan het bord te zien is deze van de scouting, maar de hut is nu verlaten. Hier kan ze wel even onderduiken. De fiets neemt ze ook mee naar binnen en voor de zekerheid legt ze nog wat extra takken voor de deur, zodat het lijkt alsof de hut al wat langer niet meer gebruikt is. Ze wacht, doodstil. Moet ze door, moet ze blijven wachten? Is het genoeg als ze hier wacht tot de volgende dag? Dan hoort ze een geluid, in de verte. Was dat een sirene? Het geluid komt dichterbij. Heel voorzichtig kijkt ze uit een van de raampjes. Het geluid wordt steeds luider en even later schiet er een politiewagen voorbij. Gelukkig, ze hebben haar nog niet gevonden. Alleen, het geluid komt terug! En er zijn meer sirenes! Met open mond ziet ze dat vier politiewagens met loeiende sirene en zwaailichten parkeren voor de blokhut. Als bevroren blijft ze zitten. Ze kan geen kant meer op!

Niet veel later wordt ze, met haar handen geboeid op haar rug, richting een van de wagens geduwd. De achterdeur wordt geopend door een van de agenten en haar collega duwt haar lomp naar binnen. Ze nemen beide plaats aan haar zijde. Een derde agent neemt plaats achter het stuur en woordeloos vertrekken ze. Sanne wordt misselijk. Waar brengen ze haar heen? Het lijkt net of ze haar gedachten hardop heeft uitgesproken, want net op dat moment begint de agente te spreken. “Je begrijpt wel dat je niet teruggaat naar het kamp na wat jij vandaag hebt uitgespookt. Ontzettend dom trouwens. Je weet zeker niet dat zowat elke fiets in het dorp is uitgerust met een antidiefstalzender?” Ze voelt zich inderdaad ontzettend dom. Waarom had ze niet wat langer nagedacht? “Waar gaan we heen?” vraagt ze met een klein stemmetje. “Dat weet je zelf toch wel?” zegt de agente schamper. “Wanneer je de regels van je vonnis breekt, ga je naar het zwaarbeveiligde opvoedingsgesticht. Misschien weten ze je daar wel in het gareel te krijgen!”

De rest van de rit zwijgt ze. Al wekenlang weet ze op elk moment van de dag precies wat er gaat gebeuren en wou ze dat ineens alles anders zou lopen, maar op de achterbank van de politiewagen verlangt ze vurig terug naar de stabiliteit en betrekkelijke veiligheid van haar herhalende dag. Na wat volgens het dashbordklokje een half uur is, maar in haar hoofd uren lijken te zijn, komt de wagen tot stilstand voor een enorm hek. Daarnaast ziet ze twee wachttorens en dikken bakstenen muren met rollen prikkeldaad erbovenop. Door een deur in de muur naast het hek komt een bewaker naar de wagen. De kleding is dezelfde als die van de bewakers in het kamp. Wat afwijkt, is het dikke vest dat onder de kleding schuilgaat en het semiautomatische wapen dat nonchalant gedragen wordt. De agent achter het stuur draait zijn raampje open en beantwoordt de vragen van de bewaker. Die schijnt even met zijn zaklamp naar de achterbank. Sanne knijpt haar ogen dicht van het felle licht. De bewaker lacht rauw, trekt zijn kop terug uit het raam en wuift naar een collega in de linkertoren. Even later rolt het hek langzaam en met een krakend geluid open. De bewaker bij de wagen slaat op het dak als teken dat ze naar binnen mogen en langzaam rijdt de wagen de binnenplaats op.

De deuren van de wagen gaan open en de agenten stappen uit. Sanne schuift op haar billen opzij, zodat ze ook kan uitstappen. Ze staat op en wordt direct aan beide kanten aan haar arm gepakt. Met z’n drieën naast elkaar lopen ze over de binnenplaats richting een grote, stalen poort. In een boog boven de poort staat de tekst ‘Gehoorzaamheid is ons grootste goed’. Een andere bewaker, die net zo dreigend oogt als zijn collega buiten de poort, drukt op een knop en de poort zwaait open. Binnen zijn er slecht verlichte betonnen gangen met grijze verf aan de muren. Ze wordt steeds verder meegevoerd, naar een klein kamertje. Daar wordt ze op een eenvoudige houten stoel gezet. Voor haar staat een even eenvoudige houten tafel. Een van de agenten maakt haar handboeien los en maakt vervolgens haar enkel vast aan een stalen ring die tussen de poten van de stoel in het beton is verankerd.

Helemaal alleen met haar gedachten wacht ze daar. In een poging om niet meer na te denken over de ellende waarin ze is beland, probeert ze zich te concentreren op de geluiden die ze door het beton hoort. Geschreeuw, gegil, gelach, maar zonder enige cohesie. Ineens zwaait de deur open en komt een gezette vrouwelijke agent binnen. Ze neemt plaats tegenover Sanne en legt een aantal spullen op tafel. Met een pen in de hand, zonder oogcontact te maken, begint te vragen te stellen die niet klinken als vragen. “Naam, leeftijd, adres.” Sanne geeft antwoord, al is ze soms moeilijk te verstaan. Dan wordt er een inkt gepakt, “Duim en wijsvinger van beide handen.” Ze is een beetje verbaasd. “Jullie hebben deze toch al van het kamp?” vraagt ze zachtjes. Voor het eerst wordt ze aangekeken door de duidelijk geïrriteerde agente. “Jij doet gewoon wat je gevraagd wordt. Dat bijdehante gedrag is precies de reden waarom je hier nu zit.” Sanne zwijgt en zet haar vingerafdrukken op het vel.

Weer zijn er gangen, donker, kil. De agent die haar deze keer heeft opgehaald is klein van stuk met een dikke buik. Hij trekt haar mee alsof hij zijn prijswinnende poedel aan de jury laat zien. Dit is vast de enige manier waarop hij ooit aan een mooie vrouw mag komen, denkt ze nog. Eindelijk gaan ze weer naar binnen. Tegen de muur staat een stalen bank met daarboven een kapstok. “Uitkleden” beveelt hij met een grijns. “A..alles?” stottert Sanne. Ze wil haar lichaam helemaal niet laten zien aan deze engerd. “Ja, alles ja, en een beetje vlot. We hebben niet de hele dag!” Voorzichtig doet ze de jurk over haar hoofd. Dan trekt ze haar schoenen en sokken uit. Daarna maakt ze haar BH los en laat die op de grond vallen. Bij haar ondergoed aarzelt ze even, maar als de bewaker haar aankijkt en hard met zijn vlakke hand op de muur slaat, geeft ze zich over. Met haar handen beschermend voor haar borsten en geslacht kijkt ze naar de grond. “Tegen de muur, gezicht naar deze kant,” klinkt het. Daar ziet ze hoe hij een brandslang van de muur haalt en op haar richt. Hij haalt een hendel over en de slang begint te rommelen. Dan spuit het water met grote kracht haar kant op. Ze wordt tegen de muur gesmeten door het water en ook de straal zelf doet pijn. Ze voelt hoe hij de straal over haar lichaam beweegt. Vooral bij haar borsten voelt ze de pijn, en het spatwater in haar gezicht geeft het gevoel dat ze verdrinkt. “Omdraaien!” klinkt het bevel en even later voelt ze de pijn op haar rug, haar billen, haar benen. In een keer is de straal uit. Druipend, met haar handen nog tegen de muur, staat te wachten op wat komen gaat. Ellendiger heeft ze zich nog nooit gevoeld.

De kleine bewaker neemt haar nu mee voor de medische keuring. Ze heeft zich nog even mogen afdrogen, maar loopt nu poedelnaakt door de gang. De volgende kamer waar ze binnenstappen is een dokterspost. De bewaker wijst naar een toilet in de hoek van de kamer. “Als je nog moet gaan, moet je het nu doen.” Hoe beschamend het ook is, ze heeft al uren niet meer geplast. Met een rood hoofd gaat ze, ze voelt de ogen op haar huid branden. Daarna wordt ze naar een met leer beklede tafel begeleid. Als ze daarop, ligt merkt ze dat de bewaker haar nog steeds aanstaart en ze probeert de andere kant op te kijken. De ruimte is koud en haar tepels worden stijf. Ze kleurt rood als ze beseft hoe ze er nu bijligt. Dan stapt de arts binnen. Hij zwijgt en trekt latex handschoenen aan. “Mond open,” geeft hij aan en kijkt haar in de mond. Dan luistert hij naar haar hart met de stethoscoop. Het instrument voelt koud en kil op haar huid. Dan begint hij haar te betasten, onder haar oksels, onder haar borsten. Hij draait zich om en pakt een fles waaruit hij een doorzichtige gelei op zijn vingers spuit. “Voeten tegen je billen en benen uit elkaar” geeft hij aan. Met tegenzin volgt ze de aanwijzing op. Ze knijpt haar ogen dicht als hij met zijn vingers bij haar naar binnen gaat. Klinisch zoekt hij naar verborgen voorwerpen in haar vagina. Dan trekt hij zijn vingers terug, neemt zijn handschoenen af en gooit die weg. Direct pakt hij een nieuw paar en smeert ook die in. “Benen omhoog en vasthouden.” Zo mogelijk nog kwetsbaarder voelt ze hoe nu haar anus gecontroleerd wordt. Tot slot wordt er een thermometer ingebracht. Ze wacht in deze positie tot de dokter tevreden is. Dan wordt ze weer geboeid en afgevoerd.

Geef een antwoord