Rosa en de controlearts

Rosa ligt nog in bed. Ze heeft net voor de vierde keer op de snoozeknop gedrukt. Met een diepe zucht draait ze zich nog eens om. “Pfff, ik heb écht geen zin om vandaag naar het werk te gaan.” Bij de gedachte aan het werk dat nog ligt te wachten, valt ze al in slaap. En het is pas woensdag! “Dit trek ik echt niet,” besluit ze. Ze pakt haar telefoon en logt in op de HR-selfservice van haar werkgever. Met een paar drukken op de knop meldt ze zich ziek. Haar collega’s zullen het vandaag maar moeten oplossen, niets aan te doen. Af en toe wordt het gewoon even te veel en dan heb je zo’n dag voor jezelf nodig om even helemaal bij te komen. Natuurlijk mag het niet, maar de drukte bij de controleartsen is tegenwoordig zo groot dat niemand de eerste dag al direct gecontroleerd wordt. Rosa meldt zich na een dag altijd keurig weer beter, dus geen haan die ernaar kraait. Of Tanja, haar teamleider, haar nog gelooft, weet ze niet zeker. Ze keek erg bedenkelijk toen ze zich vorige maand een dagje had verontschuldigd, maar een goed getimed hoestje was voldoende om het gesprek te beëindigen. Niemand wil de boeman uithangen door te vragen of je wel écht ziek bent.

Om half 11 stapt Rosa uit bed en in haar pantoffels. In haar flanellen pyjama sloft ze naar de keuken en zet ze een flinke bak koffie. Met een bakje yoghurt geniet ze aan de keukentafel van haar ontbijt, dat om deze tijd ook gerust brunch had kunnen heten. Afwezig scrolt ze op haar telefoon wat door Facebook. Plots schrikt ze op; de deurbel. “Ik had gisteren toch niets besteld?” Soms kan ze alle pakjes ook niet meer uit elkaar houden. Langzaam loopt ze naar de intercom. “Ja?” vraagt ze op ongeïnteresseerd toon. “Controlearts” klinkt het aan de andere kant. Meteen is Rosa hyperalert. “Hoe kan dit, ik heb me net ziekgemeld, help!” schreeuwt het door haar hoofd. “Hallo?” wordt er gevraagd aan de andere kant van de lijn en Rosa beseft dat ze al minstens 15 seconden stil is. “Euh, ja, natuurlijk, derde, nee vierde verdieping,“ bazelt ze en ze laat de man het gebouw in.

In vliegende vaart vliegt Rosa door het huis. “Ik moet ziek lijken.” Ze klikt de waterkoker aan. Thee ziet er zieker uit dan koffie. Ze rent naar de slaapkamer, grist een dekentje uit de kast, vliegt weer terug naar de woonkamer en schenkt snel een kop warm water in. Wanneer de deurbel gaat, grist ze nog snel een theezakje mee en zet de thee op de koffietafel. Dan rent ze door naar de deur om deze te openen. In de opening staat een lange man, van een jaar of 50 en in een wat ouderwets grijs pak. Hij draagt een grote aktetas in de ene hand en een paraplu in de andere. “Goedemorgen mevrouw Hendrix, Karel Hertogs, controlearts”. Voorzichtig schudt Rosa hem de hand. “Zeg maar Rosa. Ik ga gauw naar binnen hoor, het tocht hier.” “Geen probleem, gaat u maar naar binnen.” Rosa loopt terug naar de bank en gaat onder de deken liggen. Wanneer Karel de kamer binnenstapt, steunt ze even opzichtig. “Ik zie het al aan uw voorhoofd, u heeft koorts” merkt hij op. Rosa voelt even. Van dat rennen daarnet heeft ze een paar zweetdruppels gekregen. “Ja, een graad of 39, denk ik.” “Heeft u zelf al gemeten?” Rosa schudt haar hoofd. “Dan moeten we dat straks even doen.”

Karel zet zijn tas op tafel. “Vertel eens, wat zijn de klachten.” Rosa kijkt vanaf de bank omhoog. “Nou, eum, koorts dus, en moeheid, en eigenlijk algehele malaise.” “Hmm,” is het antwoord van Karel. “Kunt u even opstaan, dan kan ik wat algemene controles uitvoeren.” Met een zucht staat Rosa op. Karel voelt aan haar voorhoofd en in haar nek. “Hmm,” zegt hij weer en hij pakt zijn stethoscoop. “Diep inademen.” Rosa ademt diep in, weer uit, weer in. Ze zwoegt een beetje met haar borst. Wanneer ze deze man kan afleiden, zal hij haar misschien sneller met rust laten. Karel haalt zijn stethoscoop weg. “Hmm, zou u nu de kin op de borst willen plaatsen, en het hoofd weer omhoog. Omlaag, omhoog. Nu de armen wijd, en terug. Wijd, en terug. Prima, dit gedeelte is afgerond. U kunt zitten.”

Karel pakt wat uit zijn aktetas, Rosa kan niet precies zien wat, en gaat links van haar zitten. “Omdat de hoogte van de koorts niet bekend is, zal ik die moeten meten. Ik ben daarin nogal ouderwets en zal de temperatuur rectaal bepalen, de enige betrouwbare methode. Als u even over mijn schoot plaatsneemt.” Geschokt kijkt Rosa hem aan. “Maar, dat meent u niet!” “Zeer zeker wel, mevrouw, maar het is zo voorbij.” “Dat kan toch niet!” zegt Rosa, net te hard, “Dat is gênant. Ik kan de temperatuur toch zelf meten?” Karel kijkt haar streng aan. “Mevrouw, ik ben hier in de officiële hoedanigheid als controlearts. Ik ben verplicht om zelf de temperatuur te constateren en bevoegd dit te doen op de wijze die mij het meest geschikt lijkt. De procedure duurt niet lang.” Rosa aarzelt. “Mevrouw, ik hoef toch geen aantekening te maken voor uw werkgever?” Met een zucht en een rood hoofd gaat ze over de schoot van Karel liggen. Ze wordt nog roder wanneer hij haar pyjamabroek tot halverwege haar dijen naar beneden trekt. “Geen ondergoed, dat scheelt tijd,” merkt Karel klinisch op. Rosa zwijgt van schaamte. “Billen een beetje omhoog, mevrouw.” Met heel veel tegenzin volgt Rosa de aanwijzing op. Met de vingers van zijn linkerhand duwt Karel de billen van Rosa een stukje uit elkaar. Met zijn rechterhand brengt hij de lange thermometer in. “Zo, nu moeten we even wachten op een correcte meting.” Rosa gaat door de grond. Wat is dit vernederend! Ze voelt zich als een heel klein meisje in het lichaam van een vrouw van 23. Na een eeuwigheid voelt ze de glazen huis in haar achterste weer naar buiten gaan, waarna haar spieren zich ontspannen. “Ziezo,” zegt Karel. Rosa wil overeind komen maar voelt hoe ze met een hand wordt tegengehouden. “Blijft u nog even liggen?”

Enigszins verbaasd blijft Rosa liggen. “Moet u nog een onderzoek doen?” vraagt ze. Karel negeert haar vraag. “De gemeten temperatuur is 37 graden. U heeft geen koorts.” “O?” klinkt Rosa gespeeld verbaasd. “Nou ja, niet bij elk ziektebeeld past koorts, toch.” “Dat klopt,” geeft Karel toe. “Op basis van uw symptomen heb ik echter toch een ziektebeeld kunnen samenstellen. Ik was in eerste instantie op het verkeerde been gezet. Doorgaans ziet men dit alleen bij kinderen.” Opgelucht haalt Rosa adem. Hoewel de manier waarop haar temperatuur is opgenomen zeer beschamend en onprettig was, lijkt ze toch nog van het tweede deel van haar ziektedag te kunnen genieten. “Wat mankeer ik, dokter?” “Nou mevrouw, u bent schoolziek.”

Rosa probeert weer overeind te komen, maar merkt dat ze wordt tegengehouden. “Schoolziek? Ik ben ziek hoor, ik heb hoofdpijn en koorts en” “Koorts heeft u niet, dat hebben we net bepaald. U heeft natuurlijk recht op een tweede meting, wanneer u dat wenst.” Rosa zwijgt. Alles behalve dat. “Dat dacht ik al,” gaat Karel verder. “Zoals ik zei, u bent schoolziek. Gelukkig weet ik daar een goede oplossing voor. Ik ga u een stevig pak slaag op uw billen geven. Gelukkig ligt u er al klaar voor”. Rosa kan haar oren niet geloven. “Dat meent u niet, dat is belachelijk, laat me los.” “Natuurlijk, u kunt gaan wanneer u wilt. Ik wil u er wel op wijzen dat ik dit als officieel medicijn ga voorschrijven. Niemand kan een doktershandschrift lezen, dus vragen zullen er niet komen. Het weigeren van een door de controlearts voorgeschreven medicijn staat echter gelijk aan dienstweigering, met ontslag tot gevolg. Dus zegt u het maar, blijft u liever thuis zitten of neemt u uw medicijn?”

Vol schaamte denkt Rosa na. Ze kan geen kant op. Natuurlijk, Karel zou kunnen bluffen, maar de gevolgen als dat niet zo is, zijn niet te overzien. Ze heeft haar baan heel hard nodig. Met veel moeite heeft ze dit appartement in het centrum kunnen huren en zonder baan kan ze het niet meer betalen. Ze besluit dat ze geen keus heeft. “Ik wil mijn baan graag behouden,” fluistert ze. “Een verstandige keus,” complimenteert Karel haar. Voordat we verder gaan, moeten we nog de formaliteiten nog afhandelen. Ze voelt hoe hij iets uit zijn zak haalt. “Karel Hertogs, 19 september 2019 bij patiënte Rosa Hendrix. Medische indicatie Influenza scholae. Toestemmingsopname medicijn. Mevrouw, als u even luid en duidelijk aangeeft welk medicijn u toegediend wil hebben.”

“Dit is een droom, dit is een nachtmerrie, wordt wakker Rosa!” Maar het is geen nachtmerrie: Rosa ligt hier echt, met haar billen bloot, over de schoot van een onbekende man, die ze moet vragen om haar te slaan. “Mevrouw,” herhaalt Karel. Rosa zwijgt nog even. “Ik, ik krijg pak slaag” zegt ze zachtjes. “Helaas kan mijn dicteerapparaat het zo niet opvangen. Kunt u een beetje luider spreken?” Vol nieuwe schaamte herhaalt Rosa haar woorden, een klein beetje harder. “Dat is al beter mevrouw, maar zou u voor de volledigheid nog iets luider willen spreken en een volledige beschrijving van de toediening willen geven. Staat van kledij, plaats van handelen, zulke zaken.” Rosa begraaft haar hoofd in de bank en gromt van frustratie. Na 10 seconden komt ze weer overeind. “Ik lig op schoot bij dokter Karel en krijg van hem een pak slaag op mijn blote billen.” “Uitstekend,” zegt Karel, en hij stopt het dicteerapparaat weg. “Dan kunnen we beginnen.”

Direct laat Karel zijn hand hard neerkomen op Rosa’s linkerbil, meteen gevolgd door een klap op haar rechter. In dat tempo blijven de harde klappen neerkomen. Rosa hapt naar adem. Ze is nog nooit op haar billen geslagen, althans niet meer dan een klein tikje. Ze wist niet dat het zo’n zeer kon doen. Onder de harde hand van Karel wiebelt ze heen en weer. Met haar voeten trommelt ze op de bank in een poging de pijn uit te bannen. Na een paar minuten stopt Karel even. Voor ze durft te denken dat hij klaar is, voelt ze hoe de huid van haar linkerbil naar buiten strakgetrokken wordt. Dan komt een hand hard neer op de gevoelige huid aan de binnenkant van haar bil, vlakbij haar anus. Ze schreeuwt het uit, maar Karel reageert niet. Na een dertigtal klappen wordt de andere kant strakgetrokken en voelt ze hoe ze met de vingertoppen van zijn hand een soortgelijke behandeling krijgt. Dan gaat hij weer verder met haar billen en de bovenkant van haar benen, tot alles gloeit.

“Zo, dat is voldoende opwarming. Komt u maar even overeind.” Licht gedesoriënteerd komt Rosa overeind. “U mag de handen achter uw hoofd vouwen.” Gehoorzaam volgt ze de aanwijzing op. Ze heeft nauwelijks in de gaten hoe onderdanig ze op de bank zit. Ook het feit dat de dokter al haar charmes kan zien, ontgaat haar. Ze ziet hoe hij een grote houten haarborstel met een platte achterkant uit zijn koffer haalt. Dan gaat hij weer zitten. “Neemt u weer plaats,” geeft hij aan en Rosa gaat weer liggen. Met een harde ‘plop’ komt de borstel onderaan haar rechterbil neer. Rosa veert onmiddellijk overeind. Bedriegen haar hersenen haar? Een volgende ‘plop’ volgt op de andere kant en nu weet ze het zeker. Dit doet oneindig veel meer pijn dan zijn hand! Hoewel het tempo lager ligt, is de pijn in haar achterste niet te beschrijven. Ze worstelt, ze schreeuwt, maar de klappen gaan door. Ze trappelt, maar de klappen gaan door. Ze probeert met haar hand haar billen te beschermen, maar deze wordt resoluut vastgepakt en op haar rug vastgepind. De klappen gaan door. En door. Rosa houdt het niet meer. Ze trekt haar rug krom, maar het helpt niet. Dan ploft ze met haar hoofd op de bank en begint ze te huilen. Ze merkt het niet als de klappen even later ophouden. Met haar hoofd op de bank huilt ze snikkend door. Na een minuut merkt ze dat ze niet meer geslagen wordt. “De heilzame werking van een pak slaag,” hoort ze Karel zeggen.

Om kwart voor 1 gaat Rosa voorzichtig zitten op haar bureaustoel. De kussens geven wel enige bescherming, maar haar gezicht vertrekt zichtbaar wanneer ze behoedzaam haar lichaamsgewicht op haar zitvlak zet. Vreemd is dat niet. Nadat Karel haar een officiële vrijstelling voor de ochtend had overhandigd en naar de volgende patiënt was vertrokken, had ze in de spiegel naar haar billen gekeken. Wat een ravage! Alles was op zijn minst rood, met enkele grote, dieprode vlakken en twee witte rondjes op het zitgedeelte, waar ze het meest gekneusd was. Het zou zeker nog dagen duren voor dit pijnlijke gevoel zou verdwijnen! Ze had haar pyjama uitgetrokken en vervangen door een wijde jurk, lang genoeg zodat niemand zou kunnen zien dat se nog steeds geen ondergoed aanhad. Ze had besloten dat het niet verstandig was haar strakke slipjes over haar gezwollen billen te trekken. Het was zo al pijnlijk genoeg.

Direct komt Tanja naar haar bureau. “Hey Rosa, ben je weer beter, wat fijn!” Rosa knikt. “Ik voel me al weer veel beter, en ik kon mijn collega’s niet laten stikken natuurlijk.” “Super!” zegt Tanja enthousiast. “Mag ik vragen wat je had?” “Influenza scholae” zegt Rosa wijs, “gelukkig had de dokter de juiste medicijnen bij zich.” “Dat geloof ik graag” antwoordt Tanja, “het is een wonderdokter. Nog een geluk dat ik Karel op zulke korte termijn kon bereiken. Superfijn dat hij je zo goed heeft kunnen helpen. Bij je volgende ziekte zal ik ervoor zorgen dat hij nog eens langskomt.” De woorden klinken gemeend, maar Tanja’s glimlach verraadt alles. Verslagen kijkt Rosa haar aan. Lekker een dagje ziek zijn is verleden tijd.

Help! Hoe ga ik het mijn man vertellen?

Voor het lezen van dit verhaal is enige voorkennis noodzakelijk. Het gaat om dit artikel: https://www.mamaplaats.nl/blog/help-hoe-ga-ik-het-mijn-man-vertellen

Het artikel is eigenlijk puur goud. Waar het jammerlijk misgaat, is de laatste alinea. Die is misschien wat saai. Maar wat blijkt? Er is een langere versie, tot nu toe ongepubliceerd. Daarop heb ik de hand weten te leggen. Het gaat verder waar het artikel nu eindigt:

Tenminste, dat vertel ik de lezers van mamaplaats. Ik ben bang dat ik de zwangerschapsmaffia achter me aan krijg als ik vertel wat er werkelijk gebeurde. Hoe dan ook raak ik mijn wekelijkse column kwijt. Als ik naar de reacties kijk, denk ik echter dat de manier waarop mijn man werkelijk reageerde meer dames van nut kan zijn. Zo ging het gesprek echt verder:

“Nou liefje, ik was met Saar in de Hema in het centrum. Ik dacht dat ik dan nog wat kleertjes kon kopen met die cadeaukaart die we van Jan en Marjan hadden gekregen. Dat ding lag al zo lang bij ons in de la. Eigenlijk vergeet je zo’n cadeaukaart altijd als je naar de winkel gaat, en als je dan thuis bent denk je er pas weer aan. Nou in de Hema hebben we een tijdje rondgekeken, maar ik zag alleen wat maillots. Eigenlijk zonde om daar een kaart aan op te maken, vond ik.”

Op dat moment word ik onderbroken door mijn man. “Schat, je ratelt. Kom nu maar ter zake.” Ik probeerde de boel nog even uit te stellen. “Ja, daar kom ik aan toe,” zei ik poeslief. “Ik liep dus daarna bij de prenatal naar binnen en daar vond ik een paar schitterende outfits. Je zou ‘t jurkje moeten zien dat ik gekocht heb!” Ik slik even. “Alleen, van deze winkel had ik geen giftcard. De kleertjes waren zo mooi dat ik ze niet wilde terughangen. En toen…” Even blijf ik stil. “Toen heb ik wat geld uit de spaarrekening gehaald.” Aan de andere kant van de lijn klinkt een zucht. “Hoeveel?” is het enige wat ik hoor. “60 euro?” zeg ik voorzichtig. “60 euro! Zonder te overleggen? En wanneer was je van plan dit te gaan vertellen als ik niet had gebeld?” Ik besluit open kaart te spelen. “Ik hoopte eigenlijk dat je het niet zou merken, maar dat leek me toch niet zo’n goed idee. We zijn tenslotte een team,” zeg ik vol optimisme. Het blijft even stil. “We bespreken dit vanavond als Saar op bed ligt”.

Ik slik even. Het is me direct duidelijk wat hij bedoelt. Sinds mijn zwangerschap waren er geen ‘besprekingen’ meer geweest, maar nadat we elkaar hadden leren kennen, hadden we vaker ‘besprekingen’ gehad. Het was begonnen nadat ik een keer met een paar wijntjes op van een feest naar huis was gereden. Zonder op de zaken vooruit te lopen, heb ik sindsdien altijd gezorgd voor een geschikte BOB.

Tijdens het eten laat ik niks merken, maar ik voel de vlinders in mijn buik. Tergend langzaam eet ik mijn dessert. Ik staar naar de lepel. Wanneer ik opkijk, zie ik dat mijn man me doordringend aankijkt. Hij draait zich om naar Saar en lacht. “Dan gaat papa jou vanavond naar bed doen he, ja, ja!”. Saar kraait van plezier. “En dan kan mama zich vast voorbereiden.” Ik kreun vanbinnen, maar lach naar Saar.

Het is even geleden, maar ik weet wat mijn man verwacht. Wanneer ik weet dat het slaapritueel bijna is afgerond, doe ik de rolluiken van onze slaapkamer dicht, zodat de buren niet mee kunnen genieten. Dan loop ik naar dat vreemde, loze hoekje tussen de deur en de muur. Wat de architect in gedachten had toen hij dat ontwierp, zal niemand ooit begrijpen. Mijn man heeft er echter een, in zijn ogen, perfecte bestemming voor gevonden. Ik loop naar de hoek, aarzel even en trek dan mijn broek en onderbroek tot aan mijn enkels naar beneden. Ik vouw mijn handen achter mijn hoofd in elkaar en wacht tot mijn man binnenkomt.

Ik hoor hoe de deur van de kleine slaapkamer zachtjes wordt dichtgetrokken. Voetstappen komen dichterbij, achter me door de kamer in. Dan hoor ik niets. Het lijken uren te zijn, waarschijnlijk zijn het een paar minuten. Wat die eerste keer gebeurde, gebeurt nu ook. Gedachten aan vanmiddag stromen naar binnen. Ik begin de column met de vraag of ik me moet schamen of er trots op moet zijn. Als je zo kwetsbaar in de hoek staat en je de ogen op je voelt branden, is er maar één antwoord mogelijk: ik schaam me dat ik me heb overgegeven aan de koopdrang. Ik schaam me dat ik, zonder te overleggen, geld uit onze spaarrekening heb gehaald. Bovenal schaam ik me omdat ik geprobeerd had mijn acties te verbergen.

Dan wordt er achter mij eindelijk gepraat. “Je hebt me vandaag teleurgesteld.” Woorden kunnen niet dieper binnenkomen dan wanneer deze zin door de liefde van je leven worden uitgesproken. “Dat je kleren koopt die Saar niet nodig heeft, vind ik niet leuk, maar iedereen heeft zijn onhebbelijkheden. Dat je geld opneemt van de rekening voor de nieuwe auto, die we echt nodig hebben, is ernstiger. Nou is 60 euro niet zoveel, maar we hebben ‘t geld nodig. Wat me pijn doet, is dat je ‘t wilde verbergen. Zoals je zei, we zijn een team. In een team speel je open kaart. Gelukkig kunnen we dat teamgevoel herstellen. Draai je om en kom naar me toe.”

De tranen staan me bijna in de ogen en ik schaam me enorm. Waarom heb ik niet even overlegd. Met de broek op mijn enkels schuifel ik naar de rechterkant van de houten stoel, normaal gesproken voor de overhemden, waarop mijn man heeft plaatsgenomen. Smekend kijk ik hem aan. Met zijn blik dwingt hij me over zijn schoot te gaan liggen. Met mijn handen steun ik op de grond, met mijn tenen raak ik ook de vloer nog net aan en mijn billen vormen het hoogste punt. Ik hoor nog een zucht. “Ik had gehoopt dat dit niet meer nodig zou zijn.” De eerste klap is meteen hard, en ik ben ‘t niet meer gewend. Even houd ik het nog vol. Mijn linkerbeen komt los van de grond en kruist de rechter. Door zo heen en weer te wrijven kan ik de pijn nog even volhouden. De tranen zitten echter al hoog, en, zoals ik al zei: ik ben het niet meer gewend. Al snel begin ik zachtjes te huilen.
Mijn man slaat in een afgemeten ritme door. Het doet pijn, het brandt. Af en toe biggelt een traan naar beneden. Dan houdt het op. “Kom maar overeind,” klinkt het afgemeten. Ik ga staan, mijn man ook. Hij stapelt wat kussens op de rand van het bed. “Liggen,” commandeert hij. Schoorvoetend ga ik liggen. Ik hoor hoe zijn riem uit de lussen van zijn broek gehaald wordt. “Nee,” kreun ik zachtjes, maar hij reageert niet. “Je krijgt nog 60 klappen met de riem.”

Ik hoor het suizen van de riem en voel hoe deze neerstriemt over de volle breedte van mijn billen. Twee seconden later voel ik de volgende. Zo gaat het door, terwijl de tranen weer in volle hevigheid over mijn wangen stromen. Dan stopt hij. Even denk ik dat het klaar is, tot hij begint te spreken. “Bij de laatste 10 tel je mee en herhaal je de woorden ‘Jij en ik vormen een team’.” Weer hoor ik het suizen en voel ik een nieuwe pijn waar mijn billen en benen samenkomen. Met een gebroken stem herhaal ik zijn woorden. Zo volgen de laatste 10 klappen. Na de laatste begraaf ik mijn hoofd in de dekens en begin heftiger te snikken.

Ik voel hoe mijn man naast me gaat zitten. Hij slaat zijn arm om me heen en zwijgt. Ik huil door in zijn armen en kom langzaam tot rust. Ik voel hoe hij naast me komt liggen. Ik draai mijn gezicht naar hem toe, en we kussen. Een lange, liefdevolle kus. We zijn weer een team.

Wat ik vertelde, is ook waar. Als laatste deel van de straf schreef ik deze column. Dat het niet het hele verhaal was, kon hij begrijpen. Sommige zaken zijn niet voor zwanger en moederend Nederland bedoeld. En dat is jammer, want een team ben je samen en die les is echt belangrijk in de opvoeding. Hoe pijnlijk die les ook is.

Liezes nieuwe job

Lieze start een nieuwe job. Op het eerste zicht lijkt alles normaal, maar ze stelt zich toch vragen bij de aanpak van haar teamleader…

Inhoudsopgave

Liezes nieuwe job (epiloog)

“En, heb je op je buik geslapen?” knipoogt Sandra als Lieze haar goedemorgen wenst.

“Ja … Het doet nog steeds vreselijk veel pijn. Ik denk dat ik maar veel zal rechtstaan vandaag. En morgen. En de dag daarna. Ik heb ook een jurk aangetrokken, mijn broek kreeg ik er niet overheen, alles zit zo hard gezwollen.”

Sandra grijnst. “Ach, troost je. Hoe vaker je geslagen wordt, hoe sneller je geneest.”

“Moet ik dan hopen dat ik vaker geslagen word om sneller te genezen? Die logica lijkt me niet echt ideaal.”

“Goeiemorgen iedereen!” klinkt het door de ruimte.

“Goedemorgen Mark!” roepen Lieze en Sandra braaf terug.

“Vandaag let ik maar op mijn tellen,” grimast Lieze. “Ik heb echt geen zin in meer slaag. Het doet nu al vreselijk veel pijn!”

“Ja, het helpt wel om te zorgen dat je je even gedraagt,” grijnst Tine, die ook net binnenstapt.

“Lieze! Hoe gaat het?” Mark steekt zijn hoofd vanachter de plant en stapt dan hun kleine eilandje binnen.

“Het doet pijn!” klaagt ze.

“Laat eens zien.”

Ook al had ze het ergens wel verwacht, toch bloost ze diep. Ze weet intussen echter beter dan te protesteren.

“Zet je handen maar op het bureau,” geeft Mark aan.

Dan tilt hij haar jurk op. Even zwijgt hij. “Zo zo, geen onderbroek,” merkt hij op.

“Het deed veel te veel pijn!” verantwoordt Lieze zich snel. “Alles zit zo gezwollen!”

“Toch vind ik dit niet echt een gepaste dresscode om naar het werk te komen, hm?”

Mark heeft er duidelijk plezier in, ze hoort het aan zijn stem.

“Ja zeg, het is niet mijn schuld dat het zo’n pijn doet!”

Twee scherpe petsen op haar billen doen haar ineenkrimpen van de pijn. Ze verdroeg vanochtend toen ze zich aankleedde al geen onderbroek over haar billen, dan kun je je wel indenken hoeveel pijn nieuwe klappen doen.

“Auw, fuck!” roept ze.

“En nog vloeken ook?” Mark klinkt nog steeds geamuseerd, maar toch ook streng. Hij neemt haar oor tussen duim en wijsvinger. “Dat doen we hier niet jongedame. Dat worden nog eens tien klappen. Je houdt je handen op de tafel en je voeten op de grond, anders beginnen we opnieuw.”

Lieze slikt even. “Ja Mark,” zegt ze dan toch.

Meteen landt zijn hand vol op haar rechterbil. Dan haar linkerbil. Dan weer rechts, en links.

Het kost haar de grootste moeite, ze kermt van de pijn nu haar paarsblauwe billen alweer zo onder vuur genomen worden, maar het lukt haar om de gevraagde positie aan te houden.

“Je leert snel,” zegt Mark goedkeurend. “Ik ben ervan overtuigd dat je hier een mooie toekomst tegemoet gaat.”

Lieze bloost.

Mark wrijft nog even keurend over haar billen en geeft dan een gemeen kneepje in de kern van het paars. “Aan het werk,” kondigt hij aan.

Voor ze kan reageren is hij verdwenen.

Met een vuurrood gezicht staat ze recht, waardoor haar jurk weer naar beneden valt.

“Zal ik ooit nog kunnen zitten?” vraagt ze Sandra en Tine.

“Af en toe eens,” lachen ze.

Lieze zucht dramatisch. “Aan het werk dan maar,” zegt ze. “Ik denk niet dat ik vandaag nog meer klappen kan verdragen. Help me onthouden dat ik nooit op maandag iets verpruts, ik mag er niet aan denken om op deze manier naar een teamvergadering te moeten.”

“Elke!” horen ze Mark plots door de ruimte roepen. “Kom eens hier!”

“Wat is er?” vraagt Lieze geschrokken.

“Ach, ze zal wel weer wat hebben uitgespookt,” haalt Tine haar schouders op.

“Straks even blauwe plekken vergelijken,” knipoogt Sandra.

Lieze grinnikt. Ze hoort er duidelijk helemaal bij. Ze zou zich geen betere collega’s kunnen wensen.

Liezes nieuwe job (15)

Met knikkende knieën komt ze even later zijn kantoor weer binnen. Hij hoeft haar niet te zeggen dat ze de deur dicht moet doen. Ze legt de papieren op zijn bureau en gaat zitten. Mark werpt er een snelle blik op, maar laat ze liggen.

“Goed, dus jij hebt besloten dat je hier wil blijven werken, inclusief het disciplinaire systeem dat we hanteren?” vraagt hij.

Lieze knikt. Haar keel voelt droog aan.

“En in plaats van me dat netjes te komen vertellen, besluit je om in plaats daarvan even te kijken hoe ver je moet gaan om straf te krijgen?”

Nu knikt ze niet. Ze staart strak naar haar schoenen en reageert niet.

Mark is opgestaan en rond zijn bureau gelopen. Hij torent boven haar uit.

“Ik vind dat niet bepaald volwassen gedrag,” zegt hij. “Jij wel?”

Beschaamd schudt Lieze haar hoofd. Dat was het inderdaad niet, dat ziet ze nu ook wel in. “Elke doet het ook zo!” werpt ze dan tegen, een wanhoopspoging tot zelfverdediging.

“Heeft Elke je gezegd dat je het op deze manier moest aanpakken?”

Niet letterlijk nee … “Ze vertelde me dat zij er niet om vraagt, maar jou wat uitdaagt in plaats.”

“Ja, met een brutale opmerking of iets dergelijks. NIET door haar scherm opzettelijk niet te vergrendelen, iets waar ik heel zwaar aan til, zoals je al zou moeten weten. En al helemaal niet door een opdracht zo te verprutsen als jij hebt gedaan!”

Hij heeft gelijk beseft ze. Shit, ze heeft dit echt helemaal verkeerd aangepakt.

“Wat heb je te zeggen voor jezelf?” vraagt hij dan dreigend.

“N-niets,” zegt ze schor. “Het spijt me.”

“O geloof me, het zal je nog veel harder gaan spijten.”

Dat gelooft Lieze niet. Ze zou er alles voor geven om hier weg te kunnen, uit dit kantoor vandaan, om het terug vanochtend te laten zijn en het opnieuw te kunnen doen, maar deze keer op de goede manier. Maar dat kan niet.

“Besef je zelf hoe dom dit van je was? Stel je nu eens voor dat ik het niet had doorgehad, dat ik je niet had doorzien en dat ik had aangenomen dat dit … vodje … echt het beste was wat je kon. Dan had je nog mogen willen blijven, ik had je toch op straat gezet. Want het is ondermaats en dat weet jij ook.”

Lieze slikt. Daar had ze zelfs niet bij stilgestaan. Hij had haar kunnen ontslaan. De tranen staan intussen in haar ogen

“Gelukkig voor jou lossen we de dingen hier anders op. We ontslaan niet zomaar mensen.”

Mark pauzeert even. Lieze zet zich schrap voor het onvermijdelijke vervolg.

“Ik wil dat je nu in die hoek gaat staan, handen op je hoofd en dat je nadenkt over wat je gedaan hebt en goed tot je door laat dringen waarom dat erg dom was. Als je daarmee klaar bent, mag je hier voor me komen staan en me vertellen wat je verkeerd hebt gedaan en hoe je denkt dit op te lossen.”

In de hoek gaan staan? Moet ze echt in de hoek gaan staan? Als een klein kind?

Traag staat ze recht en loopt naar de aangewezen hoek.

“Handen op je hoofd,” herhaalt Mark. Ze gehoorzaamt.

De eerste paar minuten kan ze niet denken. Ze is doordrongen van schaamte. Enkele tranen druppelen op de grond. Ja, het is dom wat ze gedaan heeft. Had ze maar naar Tine geluisterd! Ze moest ook denken hoe ze dit wil oplossen. Wat bedoelde hij daarmee? Moet ze om straf vragen? Vragen of hij haar wil slaan? Haar keel knijpt samen bij het idee alleen al. Die woorden krijgt ze nooit uitgesproken.

Hij kan haar hier ook niet eeuwig laten staan. Op den duurt zegt hij vast wel dat ze eruit mag komen. Zelfs als hij haar dan nog dwingt om erom te vragen, is dat beter dan uit zichzelf naar hem te gaan en hem te vragen om haar te slaan.

Maar al na enkele minuten beginnen haar armen pijn te doen door ze in de lucht te moeten houden. Ze zou tegen de muur willen leunen, maar ze durft niet, ze weet niet of dat wel mag. Bovendien wil ze geen zwakte tonen.

Als ze had gehoopt dat de pijn in haar armen zou overgaan, dan heeft ze zich mooi vergist. Haar handen slapen doordat ze haar vingers zo krampachtig ineengestrengeld boven haar hoofd houdt. Bovendien is het vreselijk saai om hier naar de muur te staan staren. Ze heeft niets om zich van het ongemak af te leiden. Haar besef van tijd is volkomen verdwenen. Hoe lang zou ze hier al staan? Toch al zeker een halfuur, denkt ze. Af en toe hoort ze Mark typen of met bladeren ritselen. Is hij gewoon aan het werk terwijl zij hier zo staat? Echt? Dit gaat ze niet van hem winnen… Dan kan ze het maar beter gehad hebben.

Schuchter draait ze zich om. Ze laat haar handen zakken, ook al weet ze niet of dat wel mag. Meteen kijkt Mark op. Hij zegt niets.

“Ik, eh, ik…” stamelt ze.

Mark lijkt niet van plan om haar te helpen. Zijn gezichtsuitdrukking blijft neutraal afwachtend. “Ik, eh,” gaat ze dapper verder. “Ik ben dom geweest,” fluistert ze. “Zou je me ervoor willen straffen?” Ze sprak zo stil dat ze niet zeker wist of Mark het wel verstaan had. Dan staat hij recht.

“En hoe ben je precies dom geweest?” vraagt hij.

Inwendig kreunt Lieze. Gaat hij nu echt lastige vragen beginnen stellen?

“Omdat ik opzettelijk mijn computerscherm niet vergrendelde en mijn werk verprutste,” zegt ze tegen de grond

“Inderdaad,” zegt Mark. “Besef heel goed dat je in een ander bedrijf of in andere omstandigheden hiervoor ontslagen was.”

Lieze knikt klein.

“Dus, hoe wil je dat ik dit oplos?” vraagt Mark. “Zal ik je ontslaan?”

Lieze schudt wanhopig haar hoofd. “Nee Mark, alsjeblieft niet, ik wil hier blijven werken.” Ze praat nog steeds tegen de vloer, waar ze nu Marks voeten ziet verschijnen. Hij staat vlak voor haar. Dan tilt hij met zijn vinger haar kin omhoog, zodat ze gedwongen wordt om hem aan te kijken.

“Wat moet ik dan wel doen?” vraagt hij. Zijn ogen twinkelen. Hij beseft zelf hoe gemeen dit is, schiet het door Lieze heen. Maar dit zijn de spelregels waar ze mee ingestemd heeft. Dus hoe moeilijk ze het ook vindt, probeert ze de woorden uit haar keel te persen: “Wil je me slaan, Mark?” fluistert ze.

“Ik hoor geen alsjeblieft,” zegt Mark. “En dat mag best wat luider,” voegt hij eraan toe, terwijl hij zijn hand nog steeds onder haar kin houdt.

Lieze slikt even. Het klinkt haar luid in de oren en ze hoopt maar dat Mark het niet ook kon horen. Enkele seconden worstelt ze om al haar moed bijeen te rapen. “Wil je me alsjeblieft slaan, Mark?” vraagt ze dan, waarna ze haar ogen neerslaat.

“Natuurlijk wil ik dat,” zegt hij.

Even haalt ze opgelucht adem. Deze horde heeft ze genomen. Dan slaat de paniek toe. Dit gaat vast pijn doen. Veel pijn. Zou ze even hard moeten huilen als Sandra toen ze dat verkeerde bestand naar de klant had gestuurd? Ze hoopt maar dat ze zich groot kan houden, maar als het vorige keer al zoveel pijn deed, vreest ze dat dat haar niet zal lukken, niet met alles wat ze op haar kerfstok heeft.

Intussen is Mark op de stoel gaan zitten. “Kom voor me staan,” geeft hij aan. Dan begint hij haar broek open te knopen. Lieze bloost hevig. Ze heeft geen idee waar ze moet kijken. Vorige keer, toen ze zelf haar broek moest uitdoen, vond ze het al erg, maar dit is nog erger.

Dan trekt Mark haar broek omlaag tot aan haar knieën. Nu staat ze in haar onderbroek voor hem. Het is een witte onderbroek met bloemetjes op. Ze schaamt zich verschrikkelijk. Liefst zou ze in een gat in de grond verdwijnen om er nooit meer uit te komen. Dat gevoel wordt alleen maar erger als hij ook haar onderbroek naar beneden trekt. Halfnaakt staat ze voor hem. Dan trekt hij haar met een snelle beweging over zijn knie. Zijn rechterhand legt hij op haar blote billen, zijn linkerarm rust zwaar op haar onderrug, zijn hand omvat haar heup.

“Je hebt hier zelf om gevraagd,” herinnert hij haar. “Weet je zeker dat je dit wil?”

“Ja Mark,” knikt ze. Het is amper een gefluister, maar gelukkig is het goed genoeg voor Mark.

Meteen begint hij te slaan.

Oef! Dit doet pijn! Deed het vorige keer ook al zoveel pijn? Dat kan ze zich niet herinneren. Al snel ligt ze te kronkelen over zijn schoot.

“Stil liggen,” moppert hij, terwijl hij twee extra harde slagen op haar bovenbenen geeft.

Ze gilt het uit.

“Als je denkt dat dit al pijn doet, dan ben je nog lang niet jarig,” kondigt hij aan. “We zijn nog niet eens begonnen.”

Ondanks die aanmaning lukt het haar niet om stil te blijven liggen. Ze probeert wel, denkt ze, maar het lukt gewoon niet!

“Goed, dan doen we het anders,” kondigt Mark aan, als blijkt dat ze blijft schoppen en pogingen doen om van zijn knie te rollen.

Hij klemt haar benen onder zijn been. Nu ligt ze muurvast. Ze kan geen kant op.

“Nu je vast ligt, kunnen we er wel wat hout bijhalen,” stelt hij vast.

Hij neemt een paddle van zijn bureau. Het is een kleinere versie dan de grote die hij tijdens de teamvergaderingen gebruikt, maar Lieze betwijfelt of de pijn minder zal zijn. Al meteen bij die eerste stap wordt dat bevestigt: het doet net méér pijn. Doordat de paddle een kleiner oppervlak raakt, kan hij dieper doordringen.

Maar Mark geeft haar geen tijd om hier lang bij stil te blijven slaan. De slagen regenen neer op haar arme billen. Wanhopig probeert ze te ontsnappen, maar ze kan geen kant uit. Al haar voornemens ten spijt ligt ze al gauw te huilen.

“Het spijt me!” roept ze. “Het spijt me echt! Hou op alsjeblieft!”

Even houdt Mark inderdaad op.

“Wat spijt je precies?” vraagt hij.

Alles, dat ze hier ligt, dat het zoveel pijn doet. Maar dat is vast niet wat hij wil horen. “Dat ik die opdracht opzettelijk verprutste,” weet ze zich net op tijd te herinneren.

“En?”

Was er nog iets? Ze weet het echt niet meer. Ze kan niet meer denken, het doet gewoon te veel pijn. Ze wil alleen maar dat het stopt.

Als er geen antwoord volgt, begint Mark weer te slaan.

“Auw auw auw!” roept ze. “Stop, stop!”

“Je had die opdracht inderdaad verprutst,” zegt Mark rustig, zonder op te houden met slaan. “En niet zo’n beetje ook. Opzettelijk. Omdat je een pak slaag wilde krijgen. En eerder had je opzettelijk je computerscherm niet vergrendeld. Om dezelfde reden. Wel, je hebt je pak slaag. En je zult het ondergaan. En het is nog lang niet voorbij.”

Paniek zet in als ze hem dat hoort zeggen. Ze kan niet meer, ze kàn gewoon echt niet meer. Maar het gaat door. Keer op keer raakt het harde hout haar intussen zwaar gezwollen en gekneusde billen en ook haar sitspot en bovenbenen worden niet ontzien.

Ze zal nooit meer kunnen zitten, denkt ze. Waarom wilde ik dit?

Uiteindelijk geeft ze zich over. Snikkend ligt ze over Marks schoot, haar verzet is gestaakt.

Nog even gaat hij door, dan houdt het plots op. Met zijn linkerhand wrijft hij over haar rug. Hij zegt niets, maar laat haar rustig even bijkomen.

Als het snikken minder wordt, laat hij haar benen los. “Kom maar overeind,” zegt hij zacht.

Zachtjes laat ze zich van zijn knie vallen, waarna ze recht staat. Ze durft Mark niet goed aankijken, maar dat lost hij op door opnieuw haar kin vast te nemen en haar ogen zo naar de zijne te dwingen. “Wat ga jij niet meer doen?”

“Ik ga geen pak slaag meer uitlokken door mijn werk te verprutsen,” zegt ze snel. “Of door mijn computer opzettelijk vergeten te vergrendelen.” Het klinkt gemeend. Hij is duidelijk doorgedrongen.

“Goed zo,” zegt Mark. Hij laat haar kin los en loopt naar de kast. “Voor nu is het genoeg geweest, maar ik wil je nog even iets tonen.” Hij opent de kast en haalt er een lange, dunne stok uit. “Weet je wat dit is?” vraagt hij.

Lieze schudt haar hoofd.

“Dit is een cane. En geloof me, die is berucht. Die haal ik enkel uit voor de zwaarste overtredingen en dat heeft een reden. Normaal had ik die vandaag ook op jou gebruikt, want dit soort stunts tolereer ik niet.” Hij kijkt streng en Lieze bloost weer, terwijl ze haar blik neerslaat. “Maar aangezien het de eerste keer was dat je zo’n zware straf kreeg, heb ik je gespaard. Volgende keer …” Het dreigement hangt onuitgesproken in de lucht.

Lieze knikt heftig, terwijl ze de tranen uit haar ogen wrijft.

“Doe nu je kleren maar weer aan,” zegt Mark vriendelijk. Hij draait zich om en plaatst de cane terug in de kast.

Liezes billen zijn duidelijk gezwollen. Elke aanraking, zelfs die van de stof van haar onderbroek en broek, doet vreselijk veel pijn.

“Je hebt het goed gedaan,” zegt Mark dan.

“Ik was de hele tijd aan het huilen,” spreekt ze hem tegen.

“Sja, da’s ook een beetje de bedoeling he.”

Daar heeft Lieze geen antwoord op.

“Goed, je wil nu vast niet gaan zitten en je hoofd staat er vast niet naar, maar ik heb je echte voorstel ook even bekeken en ik was erg tevreden. Hier en daar moet er nog iets kleins aangepast worden, maar dat kunnen we morgenochtend wel bespreken.”

“Ja Mark,” zegt Lieze.

“Ga dan nu maar aan je collega’s vertellen dat je het overleefd hebt,” knipoogt hij.

Ze glimlacht. Ja, ze heeft het overleefd. Wàt een hel was het, maar ze heeft het overleefd. Een vreemd gevoel van trots overvalt haar als ze naar buiten loopt, zich bij elke stap pijnlijk bewust van haar gezwollen billen.

Ze zal niet snel opnieuw haar werk opzettelijk verprutsen. Maar nooit meer? Dat kan ze niet garanderen…

Liezes nieuwe job (14)

Zenuwachtig legt ze haar voorstel op zijn bureau en schuift het naar hem toe. Dan neemt ze plaats op het puntje van de stoel. Haar handen trillen, merkt ze, dus ze legt ze in haar schoot. Haar blik schiet heen en weer tussen Marks gezicht, waar niets op af te lezen valt terwijl hij de papieren doorbladert, zijn computer, het bureau en haar handen in haar schoot, die ze zenuwachtig in elkaar wringt.

“Dit is…”

Met een knoop in haar maag kijkt ze hem aan.

“Teleurstellend,” maakt hij zijn zin af. “Ik had meer van je verwacht.”

Auw. Dat doet pijn. Niet zoals klappen op haar billen, maar diep in haar binnenste.

“Vraag even aan Tine en Sandra om je wat te coachen, zodat je me morgen een beter voorstel kunt aanbieden,” zegt Mark.

Lieze kijkt op. Wat bedoelt hij? Gaat hij haar niet slaan?

“En die typfout moet ook weg uit de titel. Echt ondermaats dit. Jammer.”

Als een geslagen hond loopt ze zijn kantoor uit, de afgekeurde papieren in haar vuist geklemd. Ze is al bijna terug aan haar werkplek, als ze plots alle voorzichtigheid overboord gooit en terug naar Marks kantoor marcheert. Zonder de moeite te nemen de deur dicht te doen, vraagt ze, wijzend op de papieren met haar afgewezen voorstel: “Waarom heb je me hier niet voor geslagen?”

Mark trekt even een wenkbrauw op. Hij lijkt nauwelijks uit het lood geslagen. “Omdat ik je een vrijstelling had gegeven. Ik hou me aan mijn woord.”

“Zelfs met… dit?”

“Dus je beseft zelf hoe erg het is?”

Natuurlijk beseft ze dat! Ze zwijgt. En haar zwijgen spreekt boekdelen.

“Juist ja,” knikt Mark. “Dat dacht ik al. Maar aangezien ik je een week bedenktijd beloofd had en ik van jou nog geen antwoord heb gekregen, blijft de afspraak voorlopig staan. Heb je erover nagedacht?”

Lieze knikt. Natuurlijk heeft ze erover nagedacht. Ze is nauwelijks met iets anders bezig geweest.

“En heb je een antwoord voor me?”

“Ik wil blijven,” fluistert Lieze tegen haar schoenen.

“En hoe ben je tot dat besluit gekomen?” Mark kijkt haar aandachtig aan.

“Doet dat ertoe?” vraagt ze, in het defensief gedrongen. Dit gesprek verloopt helemaal niet zoals ze had gepland.

“Jazeker,” antwoordt Mark rustig. “Ga even zitten.” Hij wijst naar de stoel en loopt dan om Lieze heen om de deur dicht te doen die ze zelf wagenwijd open had laten staan.

Zenuwachtig laat ze zich op de stoel zakken. Wat wil hij toch van haar? Waarom slaat hij haar niet gewoon, zodat het voorbij is? Ze heeft gezegd dat ze blijft, toch?

“Ik wil je enkel slaan als je dat zélf ook wil. Wat je ook over me denkt, ik ben geen bruut. Slaan is een middel, geen doel. Het is een manier om het beste in iemand naar boven te halen, om te coachen, te sturen, aan te moedigen. Als je blijft, dan wil ik dat het is omdat je dat inziet, omdat je ook denkt dat deze manier van werken jou kan helpen, jou beter kan maken.”

Hij pauzeert even.

“Ik meende wat ik eerder al zei: ik denk dat je heel veel potentieel hebt. Maar ik denk ook dat je snel afgeleid raakt. Ik kan je helpen om te focussen, om het beste in je naar boven te halen. En dan denk ik dat jij heel mooie dingen kunt creëren, je hebt gewoon wat sturing nodig. En die wil ik je geven. Ja, door je te slaan, dat klopt. Maar niet zomaar, nooit zomaar. Altijd met één doel voor ogen: jou en je collega’s steunen, aanmoedigen, helpen, beter maken.”

Hij zwijgt. Lieze zwijgt ook. Zijn woorden komen binnen. Hij kijkt haar aandachtig aan. Verwacht hij een reactie?

“Ja …” zegt ze dan maar.

“Ja wat?”

“Ja Mark.”

“Niet wat ik bedoelde, maar het is een goede stap,” glimlacht Mark.

Wat bedoelde hij dan wel? Lieze is helemaal in de war. Ze is alle controle over dit gesprek kwijt. Haar hoofd tolt van wat ze zonet gehoord heeft.

Dan gooit Mark het over een andere boeg. Hij komt voor haar op de rand van zijn bureau zitten.

“Zeg eens eerlijk, dat voorstel dat je me net kwam brengen, is dat je echte werk? Of staat er ergens op je computer een folder die niet zo … verprutst is?”

Lieze bloost. Is ze dan zo gemakkelijk te doorzien?

“Dat dacht ik al,” zegt Mark tevreden. “Waarom ga je die niet even afdrukken, dan kijk ik wat je écht in je mars hebt.”

Lieze is al rechtgestaan als Marks stem haar tegenhoudt. “En daarna zullen we het ook nog even over dit misbaksel hebben.” Hij klinkt plots streng. Lieze slikt. “Ja Mark,” fluistert ze, terwijl ze zijn kantoor uit vlucht.

Liezes nieuwe job (13)

Die avond kan ze niet slapen. Elkes woorden blijven door haar hoofd malen. “Jij weet al welke keuze je moet maken, je moet het alleen nog van jezelf aanvaarden,” had ze gezegd.

“Zie je wel!” roept het stemmetje binnen in haar, het stemmetje dat ze liefst het zwijgen zou opleggen, maar dat zich maar blijft opdringen.

“Je wil weer helemaal deel uitmaken van dit team,” vertelt het stemmetje haar. “Je wil geen andere job zoeken, je wil hier blijven.”

“Ja maar, ik kan me toch zomaar niet laten slaan?” werpt ze tegen.

“Jawel hoor, je vond het stiekem fijn, geef maar toe.”

Gefrustreerd omdat ze al zo lang ligt te woelen, gooit ze het deken van zich af en stapt ze uit bed.

Goed dan, het lijkt erop dat haar besluit genomen is. Ze wil blijven. Morgen zal ze het aan Mark zeggen. Zou hij haar dan meteen slaan? Ze bloost al bij het idee alleen. Het brengt haar in de war. Wil ze nu geslagen worden?

“Ja!” zegt het stemmetje. “Dat heb je verdiend, na hoe je hem behandeld hebt.”

Ik kan er niet om vragen,” zegt ze hardop.

Dan denkt ze weer aan Elke en hoe zij dat aanpakt. Misschien moet ze niets tegen Mark zeggen, maar zorgen dat hij ziet dat ze haar computerscherm “vergeet” te ontgrendelen of zo. Iets in haar buik roert zich. Zenuwen, angst, wat ondeugendheid ook. Het voelt niet onprettig. Ja, dat zal ze doen. Tevreden stapt ze weer in bed, waarna ze eindelijk in slaap valt.

Als ze de volgende ochtend aankomt op het werk, neemt Tine haar onderzoekend op. “Je ziet er … anders uit,” zegt ze.

“O ja? Hoe dan?” vraagt Lieze.

“Ik weet het niet goed. Alsof je een besluit hebt genomen?” raadt ze.

Lieze bloost en knikt.

“Blijf je?” Een brede lach verschijnt op Tines gezicht en als Lieze bevestigend knikt, springt ze op haar af om haar een knuffel te geven.

“Ik ben zo blij!” roept Tine uit. “Heb je het al aan Mark verteld?”

Lieze schudt haar hoofd. “Dat moet je doen hoor,” spoort Tine haar aan.

“Ik … Ik weet niet of ik die woorden wel over mijn lippen kan krijgen,” bekent Lieze. “Denk je niet dat het beter is als ik … Ik weet het niet, mijn computer vergeet te ontgrendelen of zo?”

Tine kijkt haar fronsend aan. “Nee, dat zou ik niet doen. Dat is niet heel eerlijk, vind je niet?”

Net op dat moment komt Sandra binnen.

“Ik heb besloten om te blijven!” kondigt Lieze meteen aan, ook om af te leiden van de spanning die tussen haar en Tine was ontstaan.

Sandra kijkt haar verbaasd aan en begint dan breed te lachen. “Wat goed!” roept ze, terwijl ook zij Lieze een stevige knuffel geeft. “Ik ben zo blij dat te horen! Weet Mark het al?”

Lieze kijkt even naar Tine en schudt dan haar hoofd.

“Ik vind dat je het hem zo snel mogelijk moet gaan vertellen,” zegt Tine nadrukkelijk.

Lieze knikt. “Ja, straks,” zegt ze, terwijl ze aan haar bureau gaat zitten. Ze kijkt Tine niet aan. “Eerst even wat werken.”

“Goeiemorgen iedereen,” horen ze Marks stem door de ruimte bassen.

“Goeiemorgen Mark!” roept iedereen terug, ook Lieze.

Tine kijkt haar strak aan, maar Lieze negeert het en begint te typen. Ze heeft geen idee wat ze typt, zolang Tine er maar in trapt. Die zucht diep en neemt dan zonder nog iets te zeggen aan haar eigen computer plaats.

Als Mark even later iets aan Tine komt vragen, ziet ze haar kans. “Ik ga even naar het toilet,” kondigt ze aan, tegen niemand in het bijzonder. Om daarna snel weg te lopen, zonder haar computerscherm te ontgrendelen.

Wanneer ze terugkomt, staat Mark nog steeds naast Tine. Hij fronst even als ze gaat zitten. “Volgende keer je computer vergrendelen, ok?”

Ze knikt en kijkt naar haar scherm. Het blijft stil.

“Kun je dit niet wat meer naar rechts verplaatsen?” hoort ze Mark vragen. Niet-begrijpend kijkt ze op. Wat moet ze naar rechts verplaatsen? Maar hij is al weer helemaal op Tines scherm gericht en negeert Lieze volkomen.

Echt? Was dat alles? Geen “kom maar even mee”? Hij trok zelfs niet aan haar oor of zo.

“Goed, kun je dit verder uitwerken? Kom het me straks maar brengen als je klaar bent.”

“Ja Mark,” antwoordt Tine.

En dan loopt hij weg. Zomaar. Zonder haar zelfs maar aan te kijken! Boos ramt ze op de toetsen. Goed, dan verprutst ze deze opdracht wel.

Net op tijd denkt ze eraan om eerst haar “echte” werk op te slaan. Dan verplaatst ze een aantal blokken, bewerkt ze de foto zo dat de kleuren helemaal niet meer kloppen en plaatst ze zelfs een opzettelijke typfout in de titel. Voor ze zich kan bedenken duwt ze op “print”. Ze vergrendelt haar computer en staat recht. Dan bedenkt ze dat ze hem beter niet had kunnen vergrendelen, om haar punt nog wat duidelijker te maken, maar ze kan moeilijk teruglopen, hem ontgrendelen en weer weglopen.

Ze haalt haar afgedrukte bladen uit de printer en loopt naar Marks kantoor. De deur staat open. Hij is druk aan het typen. Even houdt ze haar adem in. Gaat ze dit echt doen?

Dan klopt ze met haar rechterhand op zijn open deur, de bladen in haar linkervuist geklemd. Mark stopt met typen en glimlacht. “Kom binnen,” zegt hij. “Doe de deur maar dicht.”

Liezes nieuwe job (12)

“Wat zei hij?” vraagt Sandra gespannen als Lieze terug voor haar computer gaat zitten.

“Hij was vast erg streng,” zegt Tine meelevend. “Doet het veel pijn?”

“Nee, ik …” Lieze kijkt onzeker. Ze weet niet goed wat ze ervan moet denken. “Hij heeft me niet geslagen.” Als ze de verbaasde blikken van haar twee collega’s ziet, legt ze het verder uit. “Hij heeft me voor deze week een vrijstelling gegeven. Dan moet ik beslissen of ik hier wil blijven, op zijn voorwaarden, of niet en dan krijg ik een positieve referentie mee.”

“En wat ga je doen?” vraagt Sandra.

Lieze haalt haar schouders op. “Geen idee,” zegt ze naar waarheid.

“Zou je hier echt weg willen?” vraagt Tine stil.

“Misschien.” Ze twijfelt even. “Vinden jullie het nooit erg om zo geslagen te worden? En … Die vernedering. En de pijn.” Ze kijkt strak naar haar computerscherm terwijl ze de woorden uitspreekt. “Ik bedoel, Sandra, je kunt nauwelijks zitten nu, dat is toch niet normaal!” zegt ze dan fel. “Wil je dit echt?” Nu kijkt ze Sandra wel aan, agressief bijna.

“Ja, dit wil ik echt,” zegt Sandra rustig.

Lieze kijkt haar verbouwereerd aan. “Maar waarom dan? Heb je het geld nodig? Ik weet dat het moeilijk is om ander werk te vinden, geloof me, dat weet ik heel goed, maar … Is dit het waard?”

“Nee, het gaat me niet om het geld, of de job,” antwoordt Sandra. “Ik bedoel, ja, het verdient goed en ik vind het werk leuk, maar ik vind het ook … Sja, leuk is niet bepaald het woord.” Ze grijnst even. “Maar ik vind het … goed.”

“Het is heel bevrijdend,” valt Tine haar bij. “Je mag fouten maken zonder dat ze je wekenlang blijven achtervolgen. Of zonder dat je ontslagen wordt.” Ze kijkt Sandra veelbetekenend aan. Die rilt even.

“Precies,” zegt ze. “Wat ik deed, dat verkeerde document doorsturen, dat was echt een hele grote fout. Dat mag niet gebeuren, nooit. Bij een ander bedrijf was ik vast ontslagen, en dan had ik echt geen werk meer gevonden. Hier kreeg ik gewoon een pak slaag en nu is het voorbij, kan ik verder, krijg ik een nieuwe kans.”

Lieze twijfelt. Dat klinkt wel heel makkelijk.

“Het doet wel verdomde pijn hoor,” verzekert Sandra haar. “Geloof me, ik ga de komende tijd extreem goed opletten om geen fouten meer te maken. Dit gebeurt me geen tweede keer. En dat weet Mark ook.”

“Het werkt gewoon,” vult Tine aan.

“Ik … Ik weet niet ….” Liezes hoofd tolt nu nog meer. Haar collega’s willen dit echt. Zijn hier uit vrije wil. Laten zich slaan uit vrije wil. En zij dan? Moet zij dat dan zomaar ook willen? Wat als ze het niet wil? Dan krijgt ze een mooie referentie mee. Maar wil ze hier wel weg? Ondanks alles voelt ze zich hier goed. Het werk is leuk, de collega’s zijn tof … Alleen Mark … Als die er nu eens niet was geweest. Of als hij niet zo’n ouderwetse visie op discipline had gehad. Maar dan was de sfeer hier vast ook helemaal anders geweest, bedenkt ze. Of niet?

Ze weet het gewoon niet. Ze weet het echt niet.

“Denk er even over na,” adviseert Tine haar. “Het is in het begin niet gemakkelijk, dat is het voor niemand.”

“Jullie lijken het zo normaal te vinden,” werpt Lieze tegen.

“Wij zijn hier al lang, wij zijn het gewend. We hebben al de tijd gehad om te bedenken dat dit is wat we willen. Jij bent hier nog maar net.”

Maar tegen het einde van de week zou ze een beslissing moeten maken. In elk geval is ze voorlopig even veilig. Zij zal niet geslagen worden. Hoe moet dat dan als ze een fout maakt, vraagt ze zich plots bezorgd af. Wordt ze dan toch ontslagen? De schrik slaat haar om het hart. Nee, ze mag geen fouten maken. Aandachtig staart ze naar het scherm, probeert alle andere gedachten uit te bannen om zich op haar werk te richten. Maar in haar achterhoofd woedt de strijd tussen de twee stemmetjes voort.

De volgende dag gaat ze om 14 u. samen met de anderen naar de teammeeting. Ze heeft  geen idee wat ze moet verwachten. Mark heeft gezegd dat hij haar niet zal slaan, maar geldt dat ook voor de teammeeting? Ze vindt het maar een ongemakkelijke situatie. Waar ze vorige week het gevoel had er helemaal bij te horen, lijken de anderen nu op eierschalen te lopen in haar buurt. Gesprekken, die waarschijnlijk over zere billen of grappige situaties die daartoe kunnen leiden, gaan, worden abrupt afgesproken als ze binnen gehoorsafstand komt. Ze mist het, het gevoel van samenhorigheid, de bijna ondeugende sfeer tussen de meiden, het “samenspannen” tegen Mark, de gefluisterde waarschuwingen als hij hun richting uit komt … Ze kan er niet om heen: ze voelt zich buitengesloten.

Tijdens de teammeeting zegt ze niet zoveel. Als nieuweling heeft ze nog niet veel in te brengen in de lopende campagnes. Ze luistert vooral en probeert er wat van op te steken. Toch glijden haar gedachten steeds af. Maar als het eindelijk tijd is voor het rituele einde van de vergadering, weet ze niet wat ze moet doen. Toch maar haar broek uittrekken en mee doen met de rest? Dan hoort ze er weer bij … Maar Mark is haar voor. “Lieze, ga maar terug aan het werk, je collega’s volgen zo dadelijk.”

Zonder iets te zeggen knikt ze, en maakt ze zich uit de voeten. Ze is opgelucht dat de vernedering en de pijn haar bespaard blijven, maar een klein stemmetje zegt haar dat ze ook teleurgesteld is, dat het net wel iets heeft om zo als groep, samen, je billen te ontbloten en dat de pijn een niet-onaangename gloed gaf. Ze legt het snel het zwijgen op.

Achter haar computer hoort ze telkens drie slagen, het geluid van leer op vlees, dan even een pauze en dan weer drie slagen. Ze ziet voor zich hoe haar collega’s nu allemaal samen rond de tafel zitten en herinnert zich hoe Tine en Sandra vorige week haar handen hadden vastgenomen, om haar te steunen. Ze had zich vernederd en in de war gevoeld om wat er gebeurde, maar ook gesteund, beseft ze nu, nu ze hier helemaal alleen achter haar bureau zit.

Gisterenavond, na haar gesprek met Mark, heeft ze wat vacatures opgezocht, maar ze vond niets wat er ook maar enigszins interessant uit zag. Zelfs met een goede referentie moet er eerst een vacature zijn eer ze wordt aangenomen. Of zou ze wat spontane sollicitaties kunnen versturen? Ja, dat moet ze maar doen. De sfeer hier is belabberd, ze wil zo snel mogelijk weg.

“Het is je eigen schuld dat de sfeer zo slecht is, je hebt het aan jezelf te danken dat je er niet meer bij hoort,” zegt het stemmetje dat ze niet wil horen.

“Het is nu toch te laat,” antwoordt ze, bijna hardop.

“Nee hoor, je kunt je excuses aanbieden bij Mark, hij vergeeft het je vast wel.

“Niet zonder …”

“En zou dat dan zo erg zijn?”

Ze zucht. Ze weet het allemaal niet meer.

Even later komen Tine en Sandra samen terug.

“Hoe was het?” wil Lieze vragen, maar ze durft niet. Ze trekt zich terug achter de isolerende muur die ze zelf heeft opgebouwd.

Voor de zoveelste keer kijkt ze op de klok. Nog 37 minuten voor ze naar huis kan. Dat is te lang. Ze wil weg, uit de verstikkende sfeer die hier hangt. Ze staat op en loopt snel naar het toilet. Met beide handen leunt ze op de wastafel. Twee grote ogen omrand met blauwe kringen na een slapeloze nacht staren haar wanhopig aan. Ze draait de kraan open en vormt een kommetje met haar handen. Daar vangt ze wat water in op, dat ze vervolgens in haar gezicht plenst.

Ze schrikt op als de deur openzwaait. Elke stapt naar binnen en blijft dan staan. Verdorie … Het was niet de bedoeling dat iemand haar zo zag. Zeker aangezien iedereen haar zoveel mogelijk lijkt te vermijden. “Ik ga al,” mompelt ze dus maar.

“Gaat het wel?” vraagt Elke, terwijl ze de weg naar buiten versperd.

Lieze knikt. “Ja,” zegt ze. “Nee.” Ze zwijgt even. “Ik weet het niet,” geeft ze dan toe.

“Komt het door …” Elke aarzelt even. “Je gesprek met Mark?”

O nee, ze wil hier echt niet over praten. Niet met Elke. Als er iemand is die volledig meegaat in Marks praatjes, die zelfs naar slaag op zoek gaat, is het Elke wel.

“Ik snap het gewoon niet,” barst ze ondanks zichzelf los. “Waarom blijven jullie hier werken?” Elke doet haar mond open, maar Lieze geeft haar niet de kans om iets te zeggen. “Ja ja, ik ken het verhaaltje intussen: jullie willen het zelf, vinden het fijn. Gehersenspoeld, dat zijn jullie!”

“Vind je het zelf niet fijn dan?” vraagt Elke.

Lieze schudt haar hoofd.

“Weet je dat zeker?” vraagt Elke. “Ook niet een heel klein beetje, heel heel heel diep van binnen? In je diepste binnenste, waar je het niemand zou toegeven, ook jezelf niet?”

Lieze opent haar mond, maar er komt niets uit. Zou het?

“Maar … Hoe kan dat? Waarom zou je dat leuk vinden?”

“Er zit een heel chemisch verhaal achter, iets met allemaal fijne stofjes die vrijkomen. Endorfines, oxytocines, weet ik het. Maar om het simpeler te zeggen is het ook gewoon heel veilig.”

“Elk moment van de dag geslagen kunnen worden, op je blote billen dan nog, lijkt me niet zo veilig,” countert Lieze.

“En toch is het dat. Want uiteindelijk is het ‘maar’ een pak slaag. Halfuurtje op je tanden bijten en het is klaar. Beter dat dan een half jaar naar ander werk moeten zoeken, toch?”

“Vind je het dan echt niet erg? Vernederend?”

“Natuurlijk is het vernederend, maar het hoort er gewoon bij. En het is vernederend op een goeie manier.”

Dat snapt Lieze niet.

“Het is vernederend, maar Mark zou ons nooit belachelijk maken. Hij heeft eigenlijk heel veel respect voor ons en voor ons werk.”

“Ja, zoiets zei hij al,” mompelt Lieze. “Dat hij vindt dat ik veel potentieel heb.” Ze bloost.

“Zie je wel,” zegt Elke. “En dat potentieel wil hij ten volle benutten. Hij wil het beste in ons naar boven halen. En geloof me, na zo’n pak slaag als wat Sandra heeft gehad, zal ze niet meteen weer zo in de fout gaan en héél goed op haar tellen letten. Zal ze beter worden.”

“Ja maar, en jij dan?” vraagt Lieze opeens. “Jij wordt toch vaak geslagen voor kleine dingen? Die helemaal niet zo erg zijn?”

Elke haalt haar schouders op. “Ik heb het gewoon af en toe nodig, het helpt me om mijn focus te behouden. Mark weet dat ook. Dus liever dan wachten tot ik een fout maak, doe ik af en toe iets brutaals of maak ik een bijdehante opmerking. Dat is voor Mark het signaal dat mijn concentratie aan het verslappen is en dat ik even wat motivatie kan gebruiken. Ik zou er ook gewoon om kunnen vragen, maar dit is grappiger,” merkt ze ondeugend op.

Lieze kan het niet helpen, maar ze grijnst. Plots wordt ze weer ernstig. “En die teammeetings dan?”

“Dat gaat om het ritueel,” legt Elke uit. “Het versterkt de samenhorigheid tussen ons, als team. Dat heb je vast zelf ook gemerkt.” Met tegenzin knikt Lieze. Ja, dat heeft ze zeker gemerkt. Vooral nu zij er niet meer bij hoort. “En veel pijn doet het niet, die drie slagen met zijn riem.”

Dat klopt. “Je vond het zelfs fijn,” zegt het stemmetje in haar binnenste dat ze niet wil horen.

“Daarom kun je hier niet blijven werken als je er niet aan mee doet,” gaat Elke genadeloos verder. “Want dan ben je geen deel van het team, niet echt.”

“Dat weet ik,” fluistert Lieze. De tranen staan haar in de ogen. Ze hoopt maar dat Elke het niet ziet.

Plots zet Elke een stap naar voren en slaat ze haar armen om Lieze heen.

“Ik weet dat het veel is,” zegt ze. “In het begin had ik het er ook moeilijk mee. Maar ik denk dat jij al weet welke keuze je moet maken, alleen moet je dat nog van jezelf aanvaarden.”

Dan laat ze Lieze los en loopt ze door de deur naar buiten. Lieze blijft alleen achter en staart naar haar spiegelbeeld.

Liezes nieuwe job (11)

“Kom maar even mee,” zegt Mark, nog steeds op die gevaarlijk zachte toon.

Wanhopig kijkt Lieze in het rond, op zoek naar een uitweg. Als ze ziet dat die er niet is, buigt ze haar hoofd en loopt ze achter Mark aan, naar zijn kantoor.

Nu wil hij haar vast weer slaan. Maar ze zal zich niet laten doen. Nee, ze zal … De waarheid is dat ze niet weet wat ze zal doen. Ze heeft deze job nodig. Maar ze mag zich toch niet opnieuw zomaar laten slaan? Al haar collega’s laten zich gewoon doen, zijn bang van hem. Wel, zij niet! Of ja, misschien een beetje. Maar dat hoeft hij niet te weten!

“Ga zitten,” zegt Mark. Zelf loopt hij naar zijn eigen stoel waar hij zich op laat zakken. Zijn ellebogen rusten op tafel, zijn kin op zijn handen. Hij neemt haar aandacht in zich op. Even blijft het stil.

“Lieze toch,” zucht Mark dan. Hij leunt achterover. “Ik dacht dat je het snapte. Dat je het aankon. Misschien heb ik me vergist.”

Niet-begrijpend kijkt Lieze hem aan. Geen strenge woorden? Geen boze toon? Hij lijkt ook geen aanstalten te maken om haar te slaan, maar dat komt vast nog. Strijdvaardig zit ze kaarsrecht op haar stoel.

“Vertel het eens, waar heb je zoveel moeite mee?”

Even kijkt Lieze hem verbaasd aan. Dit had ze niet verwacht. Dan barst ze los. “Het is gewoon niet eerlijk hoe je iedereen slaat. Dat mag niet! Dat is gewoon …” Ze zoekt naar een passende omschrijving, maar het komt niet. In plaats daarvan raast ze verder. Ze is zo opgewonden dat ze onbewust is rechtgestaan.

“Zo hard dat je Sandra sloeg, dat is toch niet normaal! Daar heeft ze vast een week lang last van! En vorige week, Elke had niet eens een kater en toch werd zij ook geslagen! En dan die teammeetings. Dit is ziek! Dit is echt gewoon ziek!”

Plots merkt ze dat ze is rechtgestaan en dat ze tegen Mark aan het schreeuwen is. Beschaamd zwijgt ze.

“Ik … Ik bedoel …” Wat moet ze doen? Blijven staan? Of toch weer gaan zitten?

“Ik snap het,” onderbreekt Mark haar zacht. “Het is heel wat, hé.”

Lieze knikt.

“Ga even zitten,” zegt hij rustig.

Even flakkert er wat opstandigheid in haar ogen, dan doet ze wat hij zegt. Ze ademt zwaar na haar tirade van net. Ze voelt zich roekeloos. Na dit alles wordt ze vast ontslagen denkt ze. Of krijgt ze een gigantisch pak slaag, nog veel harder dan dat van Sandra. Veel erger kan ze het niet maken voor zichzelf, dus nu kan ze evengoed doorzetten.

“Ik vind het gewoon niet eerlijk,” zegt ze zwakjes.

“Dat had ik begrepen,” knikt Mark. “Maar neem nu Sandra. Wat had je gewild dat ik zou doen? Had ik haar moeten ontslaan?”

Lieze kijkt hem verbouwereerd aan. “Nee, natuurlijk niet!” zegt ze dan.

“Maar ze heeft wel een gigantische fout gemaakt. Een fout die ons de klant had kunnen kosten. Het scheelde maar een haartje.”

“Maar het is niet gebeurd, we hebben de klant nog. Toch?” vraagt ze dan, plots onzeker.

Mark knikt. “Ja, we hebben de klant nog. Maar dat doet er niet toe. Ze heeft een enorme fout gemaakt en in een ander bedrijf was ze wellicht ontslagen. Op z’n minst was er een disciplinaire actie gevolgd met proeftijd en evaluaties en de hele ramsamsam.”

Mark zwijgt even om zijn woorden te laten inzinken.

Lieze zou iets willen zeggen, maar ze kan niets bedenken.

“Sandra heeft ook veel liever dat het zo opgelost is. Ze kwam me zelf om straf vragen, ik ben best trots op haar.”

Aan zijn gezicht te zien is het nog waar ook. Zou het? Zou Sandra echt zélf om dat vreselijke pak slaag gevraagd hebben? Iedereen gaat er gewoon in mee. Lieze dacht dat ze allemaal te bang waren om tegen Mark in te gaan. Maar zou dit kloppen? Zouden ze het echt zelf willen?

“Niemand van je collega’s is hier tegen haar zin, Lieze,” raadt Mark wat ze denkt. “Iedereen weet hoe het er hier aan toegaat en kiest ervoor om hier te blijven.”

“Misschien hebben ze de job nodig,” kaatst Lieze terug.

“Geldt dat voor jou? Heb jij de job nodig?”

Lieze knikt. “Ja natuurlijk, ik moet mijn rekeningen kunnen betalen en het is heel moeilijk om werk te vinden. Zeker in deze sector. Dan sla je een job niet zomaar af. Als ik hier nu wegloop, dan kom ik nooit meer aan het werk als reclame-adviseur,” eindigt ze.

Er staan tranen in haar ogen. Ze wil dit niet. Ze wil deze hele situatie niet. Ze wil deze job, maar zonder geslagen te worden. Dit is toch gewoon niet ok?

“Lieze toch …” Mark lijkt even na te denken.

“Ik heb een voorstel.”

Het blijft even stil, terwijl Mark nadenkt over wat hij moet zeggen.

“Ik ga jou niet meer slaan,” zegt hij dan.

Ongelovig kijkt Lieze op. Gaat hij haar echt niet slaan na die hele scène van daarnet?

“Maar,” gaat Mark verder. “Dat geldt slechts voor een week. Deze week krijg jij vrijstelling. Daarna wil ik van jou horen of je hier nog wil werken, op mijn manier, of ofdat je liever ander werk zoekt.”

Lieze doet haar mond al open om te protesteren, maar Mark heft zijn hand op. Hij is nog niet klaar. “Ik heb je al gezegd dat ik veel potentieel in je zie, daar blijf ik bij. Ik hoop dus dat je hier zult blijven. Maar als je dat niet doet, dan moet ik dat respecteren. Dan krijg je van mij ook een heel positieve aanbevelingsbrief mee. Ik garandeer je dat je daarmee in een ander reclamebureau werk zult kunnen vinden.”

Lieze gaapt hem aan. “Waarom doe je dit?” vraagt ze dan.

“Omdat ik niet wil dat mensen hier tegen hun zin werken of zich onderdrukt voelen of wat dan ook. Dat fnuikt de creativiteit en dat moeten we niet hebben. In de eerste plaats wil ik dat mijn medewerkers zich kunnen ontplooien. En als jij niet het gevoel hebt hier jezelf te kunnen zijn, dan kun je beter iets anders zoeken. Mijn zegen heb je.”

Het blijft stil. Lieze weet niet goed hoe te reageren.

“Welnu, denk er even over na,” rondt Mark af. Hij staat recht en houdt de deur voor haar open. “En als er iets is, dan weet je me te vinden,” glimlacht hij.

“Ja, ok,” stamelt Lieze. Haar hoofd tolt in het rond. Ze heeft geen idee wat ze hiervan moet denken. Bedachtzaam loopt ze Marks kantoor uit.

Liezes nieuwe job (10)

“Heb je een leuk weekend gehad?” begroet Sandra Lieze op maandagochtend enthousiast.

“Ja hoor,” antwoordt ze neutraal. In feite heeft ze het hele weekend vooral op de bank gehangen, voor de tv. Ze is enkel even een uurtje naar buiten geweest om boodschappen voor de week te halen.

“En jij?” vraagt ze.

“Ook!”

“Ik ben dit weekend met vriendinnen naar een subtropisch zwemparadijs geweest,” valt Tine binnen. “Dat was hééérlijk.”

“Dat klinkt goed, ja!”

“Goeiemorgen iedereen!” bast Marks stem door de ruimte.

“Goeiemorgen Mark,” roept iedereen braaf terug.

“Laten we maar aan het werk gaan,” giechelt Sandra. “Het is nog te vroeg om slaag te krijgen, toch?” Ze knipoogt.

Snel gaat Lieze zitten en duwt ze de opstartknop van haar computer in.

Ze is bijna klaar met haar inbox te overlopen als ze merkt dat Sandra in paniek naar haar scherm zit te kijken. “Nee,” mompelt ze steeds. “Nee, nee, nee.”

Tine heeft het ook gemerkt. “Wat scheelt er?” vraagt ze.

“Weet je nog dat ik vrijdagavond het voorstel van de zeepcampagne naar de klant moest sturen?”

“Ja, dat heb je gedaan, toch?” vraagt Tine bezorgd.

Sandra knikt. “Ja,” zegt ze. “Alleen heb ik het verkeerde bestand doorgestuurd. Ik heb ons allereerste voorstel voor Mark doorgestuurd en niet waar we de rest van de week aan hebben zitten werken.

“Shit,” vloekt Tine. “Wat zegt de klant?” Ze buigt zich over Sandra’s schouder om mee te kunnen lezen wat er op haar scherm staat. Ook Lieze komt erbij staan.

“Onprofessioneel, totaal niet wat we ervan verwacht hadden, teleurgesteld,” leest ze diagonaal. En dan de laatste zin: “Misschien is het beter als we een ander bedrijf inhuren voor onze marketing.”

Sandra kreunt en legt haar hoofd in haar handen.

“Mark staat in kopie,” wijst Tine. “Je kunt best zo snel mogelijk naar hem toe gaan en het uitleggen.”

“Shit,” vloekt Sandra nu ook. “Dat had ik nog niet gezien. Ik hoopte dat ik even tijd zou hebben om moed te verzamelen.”

“Je kunt beter nu snel gaan,” geeft Tine aan. “Voor hij je komt halen.” Ze kijkt Sandra veelbetekenend aan. Die knikt, vergrendeld haar computer en loopt dan met trillende knieën weg, naar Marks kantoor.

“Wat … Wat gaat er nu gebeuren?” vraagt Lieze bezorgd, terwijl ze weer op haar stoel gaat zitten.

“Mark zal waarschijnlijk de klant hoogstpersoonlijk een mailtje sturen met de juiste versie en onze verontschuldigingen. We zullen de klant vast wel kunnen behouden,” stelt Tine haar gerust.

“En Sandra?”

“Sja, die zal de rest van de week vast moeite hebben met zitten.” Het klinkt grimmig, maar Tine kijkt er bezorgd bij.

Een halfuur later is Sandra nog steeds niet terug. Als Lieze een paar pagina’s die ze moest afdrukken gaat ophalen bij de printer, komt ze langs Marks kantoor. Van schrik blijft ze even staan als ze vaag een ritmisch getik hoort. En is dat gesnik? Is Sandra aan het huilen? “Auwww! Auww auw!!”

Ja, dat is zeker Sandra. Ondanks haar geschreeuw blijven de klappen zo te horen vallen. Even aarzelt Lieze. Moet ze niet iets doen? Maar wat kan ze doen? Zomaar binnenlopen? Dat durft ze echt niet hoor. Dus loopt ze snel door, haalt de papieren op die ze nodig heeft en keert dan met een omwegje terug naar haar eigen plek, om niet opnieuw langs Marks kantoor te moeten passeren.

Het duurt nog eens een halfuur eer Sandra eindelijk weer verschijnt. Aan haar gezicht is duidelijk te zien dat ze gehuild heeft.

Tine staat recht en geeft haar een knuffel. “Gaat het?” vraagt ze. Sandra knikt. Lieze zit er maar wat onbeholpen bij. Ze durft Sandra nauwelijks aan te kijken na haar door de deur heen te hebben horen schreeuwen van de pijn. Ze had toch naar binnen moeten gaan, iets moeten doen. De volgende keer zou ze niet meer zo laf zijn, neemt ze zich voor. Uit haar ooghoeken ziet ze hoe Sandra heel voorzichtig gaat zitten. Haar gezicht vertrekt als haar gewicht op haar billen leunt.

“Was het heel erg?” vraagt Tine medelevend.

Sandra knikt. “Ja, maar ik had het dan ook heel erg verprutst,” zegt ze. “Meteen toen ik hem de mail toonde en hem vertelde wat er gebeurd was, “mocht” ik me uitkleden.” Met haar vingers maakt ze aanhalingstekens in de lucht bij het woord “mocht”.

“Helemaal?” vraagt Tine, duidelijk belust op details.

Sandra bloost en knikt. “Knijpers en alles,” zegt ze.

“Knijpers?” vraagt Lieze.

“Eh, ja, je weet wel, op m’n tepels,” mompelt Sandra met een vuurrood hoofd. “In elk geval,” gaat ze snel verder, “terwijl ik in de hoek stond, hoorde ik dat hij met hen aan de telefoon was. Het duurde even, maar uiteindelijk wist hij hen ervan te overtuigen om ons nog een kans te geven om het goede document door te sturen.”

“Oef, gelukkig.”

“Dan was alles weer goed toch?” vraagt Lieze. “Waarom moest hij je dan nog slaan, het is toch in orde gekomen?”

Lieze kijkt haar verbaasd aan. “Ik had een gigantische fout gemaakt,” zegt ze. “Het scheelde maar een haartje of we waren de klant kwijtgeraakt.” Ze schudt haar hoofd. “Ik had de straf echt verdiend.”

“Hij sloeg vast niet zacht,” stelt Tine nuchter vast.

“Niet bepaald, nee,” grinnikt Sandra. “Eerst sloeg hij me bont en blauw met die houten paddle met gaten, ook op mijn bovenbenen. En daarna moest ik over het bureau buigen voor nog 12 met de cane.” Ze huivert even bij de herinnering. “Wat een onding is dat toch.”

Tine knikt meelevend. “Ze zouden die dingen moeten verbieden,” zegt ze.

Lieze durft het bijna niet te vragen, maar ze kan haar nieuwsgierigheid nauwelijks de baas. “Wat is een cane?” vraagt ze daarom toch maar.

“Een soort lange, dunne stok. Dat doet echt heel veel pijn.”

Lieze kan er zich niets bij voorstellen, maar als ze de beschrijving hoort van het pak slaag dat Sandra net gekregen heeft, loopt er een koude rilling over haar rug.

“Waarom doen jullie dit eigenlijk?” vraagt ze dan. “Waarom laten jullie je zo behandelen?”

Tine en Sandra kijken haar verbaasd aan.

“Zo werkt het nu eenmaal,” antwoordt Sandra.

“Nee, zo werkt het niét!” roept Lieze. Onbewust is haar stemvolume flink gestegen. “Jullie laten je gewoon allemaal doen door die … die …”

“Die wat?” klinkt het zachtjes achter haar.

Geschrokken draait Lieze zich om. Daar, twee meter verder, staat Mark. En het is duidelijk dat hij elk woord gehoord heeft.