Toen Marlies lekker lag te slapen, nam Christa haar mee voor een wandeling in de sneeuw. Ze liepen naar de plaats waar Christa en haar kind hun laatste rustplaats gevonden hadden.

‘Het is her vredig, vind je niet?’ Christa wees naar het door de maan verlichte dal.

‘Mis je het leven niet?’, vroeg Marlies alsof het de normaalste vraag van de wereld was.

‘Ik leef nog steeds. Simon laat me voortleven, en jij ook, door mijn dagboek te lezen. Wat is geweest, is er nu weer. Ik kan in beide werelden aanwezig zijn’. Christa maakte een pirouette in het licht van de maan, de sneeuw om haar heen schitterde.

‘Ik vind hem heel erg aardig’. Marlies bloosde. Ze voelde zich niet helemaal op haar gemak bij die bekentenis.

‘Mooi. Hij heeft iemand nodig, Marlies. De eenzaamheid heft ervoor gezorgd dat hij oud geworden is’. Christa ging zitten en trok Marlies ook op de grond in de beschutting van haar grafsteen. De sneeuw dwarrelde om hun hoofd. Ze zaten in kleermakerszit tegenover elkaar. Marlies had verwacht dat ze de kou van de sneeuw op haar huid niet voelde en dat de dunne stof van haar nachthemd voldoende bescherming bood tegen de vrieskou.

‘Hij is al veel te lang alleen’.

‘Hoe komt dat?’

‘Hij is een koppige en emotionele man. Zelfs onze lieve Heer zou hem niet van deze heuvel af kunnen krijgen. De mafkees denkt dan dat hij me alleen achterlaat’.

‘Oh’. Marlies glimlachte en knikte. Haar lach werkte aanstekelijk op Christa en ze zaten samen te lachen. ‘Of niet soms?’

‘Wat?’ Christa hield haar hoofd scheef. Er stond verwarring in haar ogen te lezen.

‘Zou hij jou niet alleen achterlaten, zal hij hier zou vertrekken?’, legde Marlies uit.

‘Nee, gekkie! Dat kan helemaal niet. Ik ben hier immers niet?’ Christa klopte op de grond naast zich. Ze legde haar hand voorzichtig op het been van Marlies. ‘Ik zit in zijn hoofd. Ik voel me daar opgesloten. Opgesloten in zijn onmogelijke herinneringen’.

‘Onmogelijke herinneringen?’

‘Ja precies! Een vrouw heeft haar zwakheden, Marlies. Soms dan laat hij herleven als zo’n perfecte vrouw. Ik voel me dood vrijer. Soms wil ik hem wel door elkaar rammelen. Nu ben jij er om dat voor me te doen.

Marlies moest lachen. Er viel een lange stilte voor Christa opnieuw het woord nam.

‘Zou je hem toestaan van je te houden, Marlies?’, vroeg Christa verwachtingsvol.

‘Van me houden?’ De vraag verraste Marlies en zorgde dat ze zich ongemakkelijk voelde.

‘Ik mis zijn glimlach. Simon moet vaker lachen Marlies. Je zult aangenaam verrast zijn wanneer hij ontdooit en die kant van zichzelf laat zien. Hij heeft veel liefde te geven. Hij heeft iemand nodig om van te houden. Ik denk dat hij dat meer dan wie dan ook nodig heeft. Simon heeft iemand nodig die hij aan kan raken en beschermen. Ik heb dat ook nodig’. Er liep een traan over haar bleke gelaat. Hij schitterde in het maanlicht, net als de sneeuw om hen heen.

‘Hij houdt van jou, Christa, daar kan ik nooit tussen komen’, fluisterde Marlies.

‘Maar er is ook ruimte in zijn hart voor jou! Hij heeft je nodig!’ Christa reikte naar de kin van Marlies, maar deze draaide haar gezicht weg.

‘Hoe kan hij me nu nodige hebben? Waarom zou ik binnen moeten dringen in iets wat jullie samen hebben?’ Nu was het de beurt aan Marlies om haar ogen in verwarring neer te slaan.

Christa zuchtte. Ze liet Marlies even de tijd om tot rust te komen voordat ze ging uitleggen.

‘Ik ben bang dat de enige fout die ik tijdens mijn leven gemaakt heb was dood te gaan. Ik heb hem alleen achter gelaten en heb daar zoveel last van dat ik geen rust kan vinden. Het doet verschrikkelijk veel pijn. Jij kunt ons helpen, Marlies en ik heb het idee dat wij jou ook kunnen helpen. Alsjeblieft?’

Er werd verder niet meer gesproken. Christa verdween en liet Marlies alleen achter in de vredige kerstnacht.

~~~~~oooOOOooo~~~~~

Simon had last van zijn spieren door alle vermoeienissen van de afgelopen dagen, toch duurde het wel een uur voor hij in slaap viel. Zodra hij lag te slapen begon hij te dromen. In de laatste uren voor het weer licht zou worden, draaide hij zich om en sloeg zijn arm om Christa heen die naast hem onder de dekens was gekropen.

‘Ik heb je gemist’, bromde hij en trok haar stevig tegen zich aan.

‘Mmmmmm’, knikte Christa en duwde haar rug en billen tegen hem aan zoals ze gewend was. ‘Ik ben hier’.

Simon keerde terug naar dromenland. Christa lag een poosje te genieten van de sterke arm om zich heen. Toen porde ze hem met haar elleboog wakker.

‘Liefje? Vind je mijn cadeautje mooi?’

‘Cadeautje?’, mompelde Simon half slapend.

‘Ja. Je gezelschap, iemand waar je weer van kunt houden. Ik heb er iedere dag om gebeden sinds ik je moest verlaten’. Christa legde zijn hand op haar borst en streelde zijn rug.

Simon glimlachte en duwde zijn neus in haar haardos. ‘Heb jij dat opgewonden standje hier gebracht?’

‘Nee. Ze is hier uit zichzelf terecht gekomen, maar ik heb wel op haar komst gehoopt. En toen ze er was heb ik gebeden dat ze hier zou blijven. Het is goed uitgepakt, vind je niet?’ Christa’s zachte gegiechel drong tot hem door. Simon rekte zich uit en voelde de aangename warmte van zijn lang geleden overleden vrouw.

‘De winter heeft ervoor gezorgd dat ze hier gebleven is. Ik hoop echter wel dat ze zich snel thuis voelt. Ik denk niet dat mijn rechterarm het overleefd als dat niet zo is’.

Christa gromde en irriteerde zich net zo aan haar echtegenoot als ze gedaan zou hebben toen ze nog leefde. ‘Je had haar op zijn minst de kans kunnen geven aan je te wennen voordat je je zo op haar billen ging uitleven. Je hebt nog geluk dat ze niet besloten heeft haar spullen te pakken en er vandoor te gaan’.

‘Hoezo?’  Simon trok Christa dichter tegen zich aan. ‘Ik heb haar alleen maar een flink pak op je billen gegeven. En je weet verdomd goed dat ze helemaal aan zichzelf te danken had’.

‘Misschien heb je gelijk, maar je had eerst kunnen zorgen dat ze zich op haar gemak zou voelen. Als je namelijk mijn gebeden verstoord had, had ik iets heel anders gedaan dan in je dromen opduiken, mannetje!’

‘Ik vind het heerlijk als je in mijn dromen opduikt’. Simon zuchtte nogmaals en snoof haar geur op vanuit zijn herinnering.

‘Ze is geen kind meer, Simon’, hield Christa aan.

‘Natuurlijk is ze dat wel. Ze is net uit de pubertijd, als ze daar al uit is’.

‘Ze is een jonge vrouw; volwassen en meer dan klaar voor het echte leven en voor een man die van haar houdt. Ze heeft het nodig dat je aardig voor haar bent, zoals je dat tegen mij vroeger ook was. Bovendien heb je haar ook nodig. Ik zou het heel graag willen. Ik zou de rust kunnen vinden als ik weet dat je hier niet helemaal alleen bent. Zoals het nu is, kan ik dat niet.

‘Het is anders goed genoeg voor me, tot het mijn tijd is om te gaan’. Simon viel weer in slaap en keerde terug naar dromenland.

‘Maar ik vind het niet goed genoeg! Alsjeblieft liefje, je heb haar nodig, en zij heeft jou nodig. Alsjeblieft, laat het mijn kerstcadeautje zijn. Zul je proberen opnieuw de liefde te vinden? Alsjeblieft?’

‘We zullen zien’. Simon kroop tegen Christa aan. ‘Maar nu ga ik slapen. Het wordt straks licht en ik heb een lange dag voor me’.

‘Ok, maar ik houd je in de gaten’, ging ze akkoord. ‘En Simon?’

‘Hmmmm?’

‘Laat die haarborstel in de la. Je hand is hard genoeg’.

‘We zullen zien’.

‘Kan ik nog een ding zeggen voor je weer gaat slapen?’

‘Hmm? Ja, ga je gang’, antwoordde met een slaperige stem,

‘Vrolijk Kerstfeest, mannetje’.

‘Vrolijk Kerstfeest, liefje. Simon glimlachte en viel weer in slaap.

~~~~~oooOOOooo~~~~~

Haar blaas die op knappen stond, maakte Marlies wakker. Ze voelde zich ontspannen en veilig. Het was nog steeds donker, maar er was nog voldoende licht van de restanten van het vuur in het fornuis en de haard. Marlies kon de trap afklimmen zonder dat ze lucifers hoefde te zoeken om de lamp aan te steken.

Voordat ze haar jas en laarzen aantrok om het toilet te bezoeken nam ze te tijd om het vuur op te porren en er een paar nieuwe houtblokken op te leggen. Ze goot het restje koffie van de vorige dag in de emmer en vulde de pot met vers water en een paar schepjes koffie en zette het op de warmhoudplaat van het fornuis.

Het eerste straaltje licht verscheen aan de horizon boven het graf van Christa. Ze ervoer een onverklaarbaar gevoel welkom te zijn. De roes van haar droom die ze zich niet meer kon herinneren, maakte dat ze de armen om zichzelf heen sloeg en glimlachte. ‘Het is fijn hier, ik voel me hier thuis’ . Dit was voorlopig haar thuis en wanneer het voorjaar aan zou breken dan had ze in ieder geval een veilige, warme winter achter de rug.

Nadat ze haar blaas geleegd had, besloot ze naar de schuur te gaan om te kijken of ze Clara over kon halen zich te laten melken.

Er lagen vier eieren in het nest. Ze stopte ze in haar jaszak. Ze gooide wat handenvol graan neer voor de kippen, zorgde voor vers hooi voor de koe, voor ze het krukje erbij pakte om aan de uitdaging te beginnen.

‘Goedemorgen meisje’, fleemde Marlies terwijl ze de koe aaide en op de flank klopte.

Mag ik het nog eens proberen? Wat zeg je ervan? Ik zal proberen wat minder onhandig te zijn, goed?’

Marlies neuriede een melodietje terwijl ze op het krukje plaats nam. De koe verzette zich niet, ook niet toen Marlies aan de uiers begon te trekken. Maar net als de middag ervoor, gebeurde er niets.

‘Wat is het geheim, Clara? Ligt het aan mij? Doe ik het niet goed of heb je er gaan zin in?’vroeg ze zich hardop af terwijl de minuten verstreken.

‘Hulp nodig?’

Geschrokken kukelde Marlies bijna van haar krukje en verviel onmiddellijk in oud gedrag. ‘Jij grote boerenl…’

‘Ho ho ho, wat hadden we nu afgesproken over je taalgebruik?’ Simon boog zich voorover om haar te helpen haar evenwicht te bewaren.

‘Het spijt me! Dat was mijn bedoeling niet! Maar ik schrok me dood! Het floepte er zo uit. Ik zal het niet weer doen, dat beloof ik’.

‘Je bent wel erg schrikachtig voor een meisje met een schoon geweten’, grinnikte Simon plagend.

‘Maar ik heb een schoon geweten!’ Marlies klonk bezorgd. ‘Ik probeerde te ontdekken hoe dit werkt’.

‘En wat heb je voor nats in je jaszak?’ Simon wees naar een zich langzaam uitbreidende natte vlek in rechterzij van Marlies.

‘Ah! Moet je nou eens zien! Dat zijn de eieren’, jammerde Marlies.

‘Hoeveel heb je gebroken? Had je ze daar allemaal in gestopt?’ Zijn  stem klonk vriendelijk, maar nog steeds plagend.

‘Nee, daar zaten twee’. Marlies haalde twee eieren uit haar andere zak en liet deze aan Simon zien. ‘Ik probeerde alleen maar te helpen’.

‘Dat zie ik. En je hebt prima werk geleverd’, grinnikte Simon. ‘Ga maar weer zitten dan zal ik je laten zien hoe je moet melken’.

Het plakkende eiwit van de gebroken eieren begon door de stof van haar nachthemd heen te dringen die ze onder haar jas aan had, maar Marlies liet zich niet afleiden van des les in melken die ze kreeg.

Een paar kleine aanpassinkjes in de techniek waarmee ze er eerder in slaagde wat druppeltjes tevoorschijn te krijgen en Marlies had het onder de knie.

‘Heel goed’. Simon gaf haar een klap op haar schouder toen ze de eerste twee dikke stralen melk in de emmer spoot.

‘Hee kijk! Ik kan het!’, lachte Marlies.

‘Goed zo! Nu door blijven gaan tot de emmer vol is, daarna kom je naar het huis. Na het ontbijt zullen we eens kijken of er nog meer valt te leren’.

Marlies knikte en zag hoe Simon de schuur begon uit te mesten en de dieren vers stro gaf. Hij leek in een aanzienlijk beter humeur te zijn dan de dag ervoor.

Simon was eerder klaar met zijn klussen dan Marlies met melken. Voor hij naar het huis liep gaf hij haar nog wat tips.

‘Als je klaar bent, breng je de melk naar de kelder. Dan schep je de room en de helft van de melk van wat er in de gamellen zit en doet de verse melk bij wat er dan nog over is. Vervolgens doe je het deksel er stevig op. Dan neem je gamellen mee naar het huis, dan zal ik je leren hoe je boter en kaas maakt’.

‘Ik weet wel hoe je boter maakt’, antwoordde Marlies.

‘Mooi. Dat is al een begin. En kaas?’

‘Nee”.

‘OK, dan ga ik je dat leren’.

Simon bakte de eieren samen de aardappelen en kalkoen die Marlies de vorige avond had laten staan. Toen Marlies binnen kwam, stond het ontbijt op tafel.

‘Mmmmm Ik heb honger!’ Marlies hing haar jas op en schopte haar laarzen uit.

 ‘Ga je handen wassen en aan tafel zitten’. Simon maakte eerst een hoofdbeweging in de richting van de pomp, daarna naar de tafel.

Marlies waste gehoorzaam haar handen en haar gezicht. Ze had haar bord al half leeg voor de eerste worden vielen.

‘Volgens mij voel je je een stuk beter, of niet?’ Simon was de eerste die iets zei.

‘Jazeker’, knikte Marlies. Nadat ze haar mond had leeggemaakt, zei ze, ‘Dit smaakt echt fantastisch!’

Simon nam haar compliment in ontvangst. ‘Je zit er opmerkelijk gemakkelijk bij voor een meisje dat twee keer op een dag een flink pak op haar billen heeft gehad?’

Marlies bloosde. Ze wist zo snel geen antwoord te bedenken wat niet bijdehand over zou komen. Daarom haalde ze haar schouders op.

‘Maar zo te zien heb je je lesje wel geleerd’, reageerde Simon op wat hem een instemmend gebaar leek.

Marlies haalde haar schouders nog een keer op. Ze kreeg nog meer een kleur toen Simon zijn vraag verder expliciteerde. ‘Ben je het met me eens?’

‘Ja meneer’, fluisterde ze.

‘Je hoeft me geen meneer te noemen hoor. Tenminste als je niet in de problemen zit. Het is gewoon Simon, OK?’

Marlies keek hem aan. De blik in zijn ogen stelde haar gerust. “ja, OK, Simon’, glimlachte ze.

‘Mooi zo, dan zijn we het daar over eens. Wat dacht je ervan om naar de zolder te gaan en jezelf aan te kleden. Dan kunnen we aan het werk’.

Marlies genoot van haar eerste dag bij Simon dat ze zich geen indringer voelde. Ze maakte boter en keek toe hoe Simon kaas maakte.

Het legde uit dat Clara meer melk produceerde dan ze op konden en de kaas was een goede vervanging voor de eieren als ze het te druk hadden om te koken. Het andere voordeel was dat het lang houdbaar was, waardoor er niets weggegooid hoefde te worden.

Nadat hij alle room van de melk geschept had, goot hij de melk in de karn. Hij deed er drie of scheppen room in om de kaas steviger te maken. Toen legde hij een stuk katoen, die hij kaasdoek noemde, over de karn. Hij trok de doek strak en vroeg Marlies de rest van de room erover heen te strijken. Eerst leek deze er doorheen te zakken, maar het dikkere deel bleef er bovenop liggen.

‘Zo. Simon gaf de punten van het doek aan Marlies. ‘Nu til je de kaas op en knijpt er zoveel mogelijk wei uit, zonder dat je teveel van de pulp meeneemt’. Hij stond op en zette een grote ketel water op het fornuis.

Marlies draaide aan de uiteinden van het doek. ‘Zo bedoel je?’

‘Ja, dat gaat goed. Houd het wel boven de karn. We hoeven niets te verspillen…. Niet te hard, want dan druk je de pulp eruit… zo, volgens mij is het wel klaar’. Simon pakte de bal van Marlies aan toen deze bijna uitgelekt was. Doe jij daar het deksel maar op en begin te karnen.

 Marlies knikte en pakte een stoel en ging bij de karn zitten zodat ze kon zien hoe het kaasmaken verder ging terwijl ze aan het karnen was.

Toen het water kookte, goot Simon er een beetje gelige vloeistof bij en liet de met pulp gevulde doek erin zakken.

‘Wat deed je daar in?’ Marlies trok haar neus op toen ze een sterke, beetje zure geur rook.

‘Azijn’. Dat geeft de smaak aan de kaas. ‘Kijk!”, hij overhandigde haar het kruikje en gebaarde dat ze de kurk eraf moest halen.

‘Brr… dat is vies!’ Ze trok een vies gezicht en draaide haar hoofd weg.

‘Kijk goed en houd op met klagen. Zie je dat laagje er boven op?’ Simon zijn stem klonk streng en Marlies wist dat hij wilde dat ze op zou letten. Ze keek weer naar het vies ruikende kruikje. Je zou behoorlijk ziek worden als je daarvan zou drinken, maar samen met gist en magere melk en een paar dagen rusten, levert een goed bestanddeel voor zure deeg. Het geeft een goede smaak aan bijvoorbeeld koekjes en zonder dit zou je geen kaas kunnen maken. Tenminste, geen lekkere kaas.

‘Hoelang moet het nu koken?’, vroeg Marlies terwijl ze de kurk weer in het kruikje duwde en naar de ketel op het vuur keek.

‘Vijf a tien minuten, niet langer’, antwoordde Simon en hij haalde de doek uit het water en legde hem op de plank boven het fornuis.

De volgende uren waren ze druk aan het werk. Marlies was aan het karnen en Simon maakte de kaas. Hij liet haar proeven van de verse wrongel. Deze kleine eten we straks op en de twee grote brengen we naar de kelder om te rijpen. Wanneer er een mooie korst op zit, heeft hij een rijpe smaak. Ik denk dat je het lekker zult vinden’.

Marlies glimlachte. ‘Het is klaar, of niet?’

‘Inderdaad, het is klaar’, luidde het antwoord.

‘Ik denk dat ik het de volgende keer zelf wel kan’, lachte ze.

‘Dat was mijn bedoeling ook’, knikte Simon. ‘Maak jij maar af waar je mee bezig bent. Als het dik genoeg is, doe je het in de vormen die op de onderste plank bij de pomp staan. Goed?’.

Marlies knikte. Simon liet haar met rust en ging bij de haard een boek zitten lezen. Al snel dommelde hij weg. Hij was het niet gewend dat hij midden op de dag uitgebreid de tijd had om te gaan zitten. Het was een heerlijke en welkome ervaring. Toen hij een uurtje later wakker werd, rook hij de geur van koffie en vers gebakken koekjes.

‘Heb je honger?’, vroeg Marlies toen ze hem kreunend wakker hoorde worden.

‘Dat ruikt lekker!’ Simon trok een pijnlijk gezicht toen hij zijn zere spieren voelde en rekte zich uit.

‘Er staan hier nog wat pasteitjes. Zullen we die bij de lunch eten?’, vroeg Marlies hoopvol.

‘Hoeveel zijn er nog?’ Simon trok een bedenkelijk gezicht. De baksels van Lijanne gingen veel sneller op dan hij had gehoopt.

‘Een stuk of vier, vijf’.

‘Niet meer?’ Hij kon zijn teleurstelling nauwelijks verbergen.

‘Als je suiker en vanille of kaneel hebt, kan ik wel taart voor je bakken. Ik zag dat er appels, gelei en citroenen in de kelder hebt staan. Maar als je die nog wilt bewaren, vind ik het ook prima. Ik kan ook best zonder. Marlies schaamde zich dat ze zijn voorraad er doorheen wilde jagen.

‘Weet je hoe je taart moet bakken?’, vroeg Simon hoopvol.

‘Ik kan ook koekjes bakken van haver en appels. Ik mocht mijn moeder vroeger altijd helpen als ze beignets maakte.

‘Dat is nog eens een verrassing’, zei Simon met een brede grijns. Dit was voor het eerst dat Marlies dat zag. Ze kreeg het er warm van. ‘Warm de pasteitjes maar op!’

Marlies glimlachte. Haar gastheer was een echte zoetekauw. Het vooruitzicht van iets lekkers deed hem stralen.

~~~~~oooOOOooo~~~~~

‘Waar heb je de boter gelaten?’, vroeg Simon toen ze zaten te eten.

‘Daar bij de kaas’. Marlies wees naar de plank bij de pomp. ‘Als we klaar zijn met eten zal ik het naar de kelder brengen’.

‘Nee. Je gaat naar de zolder. Je gaat wat kleren uit de grote kist zoeken die je passend kunt maken. In de mand bij de haard vind je naald en draad. Zoek voldoende kleren uit zodat je nog wat schoons hebt als je andere kleren bij de was zitten. Dat zal je wel zoet houden zolang ik bezig ben met het dichtsmeren van de kieren in de schuur.

Marlies lachte blij. Het idee dat ze een paar uur alleen in huis was, herinnerde haar aan de dagboeken van Christa. Ze kreeg een kleur van opwinding, maar Simon leek dat niet in de gaten te hebben. Hij ging naar buiten en zodra Marlies de afwas gedaan had, klom ze naar de zolder op weg naar het dagboek van Christa.

Ze voelde een golf van schaamte door zich heen gaan toen ze het dagboek van Christa onder haar matras vandaan viste. Ze ging op een kist bij het raam zitten zodat ze voldoende licht had. Ze had Simon iets beloofd en haar belofte alweer gebroken terwijl haar woorden nog in de kamer echoden. Daarnaast pleegde ze de eerste dag die in harmonie verliep verraad. Maar haar schaamte was niet zo sterk als haar verlangen om meer over het leven van Christa en Simon te weten te komen.

Marlies bladerde naar de passage waar ze gebleven was. Christa, Simon, Lijanne en Koos waren nog steeds op reis. Er bleek duidelijk uit het dagboek dat Christa moe. Door de kou en sneeuw konden ze niet verder, waardoor ze de gelegenheid hadden om uit te rusten.

9 januari 1867

Oh, jee, Lijanne gaat een pak op haar billen krijgen en het is mijn schuld. Ze heeft me gevraagd niets te zeggen, maar ik denk dat dat niet kan. Simon zal me verachten wanneer ik zorg dat mijn vriendin in mijn plaats gestraft wordt en mijn vriendin zal een hekel aan me hebben als ik mijn belofte aan haar breek. Ik weet niet wat ik moet doen. Dit is de zwaarste dag van mijn leven. Ik hoop dat die vervelende Laura ook haar verdiende loon krijgt. Ze is de duivel in eigen persoon. Ik weet zeker dat ze dit allemaal in scene gezet heeft. Ze weet dat Simon een bloedhekel aan roddelen heeft. Ze heeft gezorgd dat ik niet anders kon. Ik had geen keus. En nu heeft Lijannne een probleem met Koos door mijn schuld! Ik ben een slechte vriendin. Ik ben een slechte echtgenote. Hoe kon ik nu weten dat meneer Wilders die vieze koffie op zou drinken? Arme lijanne ! Waarom had ze die rode jurk ook aan? Daardoor viel het te veel op toen ze achter de wagens langs sloop.

10 januari 1867

Ik walg van mijn laffe houding. Die lieve aardige Lijanne gaf me vanochtend een knuffel, maar ze had een van pijn vertrokken gezicht. Ik ben haar vriendschap niet waardig. Koos heeft haar gezegd dat ze op de houten bank van hun wagen moest gaan zitten en ik kan zien hoe moeilijk ze het daarmee heeft. Het pak slaag moet afschuwelijk geweest zijn. Bovendien had ik het moeten hebben. Ik had er recht op en door het te laten gebeuren heb ik mijn huwelijk en een vriendschap verpest. Zou ik er wel mee kunnen leven als ze gewoon bij mij zou zijn in plaats van dat ze op die harde bank moest zitten? Nee. Ik kan het niet verdragen. Dit zal aan me blijven vreten. Maar ik kan het ook niet eerlijk opbiechten. Hoe zou dat kunnen nadat Lijanne mijn straf in ontvangst heeft genomen? Wanneer ik dat doe breek ik mijn belofte en zorg er bovendien voor dat ze voor niets gestraft is. Als ik het niet doe heb ik een hekel aan mezelf en verdien ik het niet meer om ooit nog het vertrouwen van wie dan ook te hebben.

10 januari 1867, gelukkig begint het donker te worden.

Oh Simon, waarom heb je mij dit dagboek toch gegeven. Nu wordt ik steeds weer geconfronteerd met mijn eigen tekortkomingen die ik erin opgeschreven heb. Je bent te wreed voor woorden. En zelfs dan ben ik je nog niet waard.

12 januari 1867

Ik loop de hele dag al te huilen en Simon begint zijn geduld te verliezen. Ik heb Lijanne gesmeekt mijn belofte te mogen verbreken, maar ze wil dat niet. Snapt ze dan niet dat ik de liefde voor mijn echtgenoot aan het verloochenen ben en dat hij moet weten hoe afschuwelijk ik me gedragen heb? Ze lacht alleen maar als ik het haar vraag, en wil dat ik me aan mijn woord houd. Ze vind dat het misschien goed voor mij is, maar dat het haar nog meer in de problemen zal brengen. De dagen worden tot een hel. God zou genade tonen als hij me nu naar de hel zou sturen.

En als hij dat doet dan hoop ik dat hij haar voor laat gaan. Als ze me ooit nog eens zoiets flikt dan geef ik haar een klap.

15 januari 1867

Hij heeft me uitgelachen. En Lijanne en koos die naast hem stonden, lachten met hem mee. Het liefst zou ik ze allemaal vermoorden. De afgelopen dagen zijn een hel voor me geweest en nu de waarheid eindelijk boven komt, lachen ze me uit.

Mijn enige troost is dat die akelige Laura tegen de lamp gelopen is. Ik had bijna medelijden met haar. Als Simon zou weten met hoeveel plezier ik naar haar gejammer geluisterd heb toen haar man haar er met de riem van langs gegeven heeft, dan zou hij nu niet lachen. Dank U, lieve Heer, maar ze had eigenlijk veel meer verdiend. Maar de grootste pijn is dat ik me besef dat ikzelf nog veel meer verdiend heb.

Ik ben nog veel erger dan Laura Huisman.

16 januari 1867

Wat is Simon een geweldige man en wat zijn Lijanne en Koos vergevingsgezind naar mij. De omhelzing van Lijanne gisteravond heeft me van mijn angsten bevrijd. Koos heeft zo’n verschrikkelijk pak op mij bips gegeven dat ik dacht dat ik dood ging. Hij heeft me een lesje geleerd dat ik nooit meer zal vergeten. Maar wat er ook gebeurd, hij heeft vertrouwen in  zijn vrouw, net zoals Simon mij vertrouwen in mij heeft. Mijn stilzwijgen is niet van invloed geweest op de manier waarop hij haar gestraft heeft. Dat ik er niet direct voor uitgekomen ben, is iets tussen Simon en mij.

Ik heb me altijd die tijd druk lopen maken omdat ik aangenomen had dat Lijanne gestraft werd voor iets wat ik gedaan had, terwijl ze het ondertussen allang aan haar man verteld had. En Koos heeft het aan mijn eigen schuldgevoel overgelaten om ermee voor de draad te komen.

Simon deed zijn best om streng tegen me te zijn. Daar slaagde hij helemaal niet in. Ik had het echter nodig dat hij streng tegen me as. Het is wreed als een man aangeeft dat je een pak op je billen verdiend hebt en je ondertussen loopt te plagen. Hij heeft me een ongenadig pak op mijn bips gegeven met de hand en met een stuk hout, maar hij moest steeds lachen terwijl hij dit deed. Hoe moet ik dat nu opvatten? Zo kom ik niet van mijn schuldgevoel af. Ik voelde geen berouw op deze manier en hoefde ook niet te huilen. Hoeveel pijn het pak slaag ook deed, ik kon het lustgevoel van mijn verlangende lichaam niet eens kwijtraken.

Nadat hij me dat pak slaag had gegeven, was ik helemaal opgewonden. Tegelijkertijd vond ik dat ik geen opwinding mocht voelen na alles wat ik misdaan had. En nu voel ik me rustiger dan ik in weken gedaan heb. Ik begrijp er niets van, ondanks dat Lijanne zegt dat ik me dat niet af moet vragen maar er van moet genieten. Wat moet ik nou?

20 januari 1867

We staan weer vast vanwege het weer. Het sneeuwt nog niet maar aan de lucht te zien zal dat niet lang mee duren. De mannen stellen zich autoritair op. Simon is wel de ergste. Hij is de bazigste man die er bestaat. Waarom zorgen die onnozelaars nu weer voor oponthoud? De dieren hebben helemaal geen last van de kou. Vanavond zullen we het hen laten zien. We zullen het iedereen laten zien.

24 januari 1867

Ik ben blij dat ik nog leef. Ik ben verschrikkelijk dom geweest. Simon kijkt niet eens meer naar me. Ik ben bang dat ik mijn huwelijk geruïneerd heb. Ik heb hem voor schut gezet. De woede in de ogen van Koos, toen hij ons aantrof, mijn God, die zal ik nooit vergeten. Niets heeft me ooit meer pijn gedaan dan de gekwetste blik in de ogen van Simon een uur later.

26 januari 1867

Ik ben bang dat ik nooit meer goed op mijn billen zal kunnen zitten. Simon is nog nooit zo streng tegen me geweest, maar toch heb ik dat liever dan het koude negeren wat hij gister deed. Mijn God, ik zal je zeggen dat ik naar de strop verlengd heb. Vandaag voel ik me beurs. Iedereen moet me hebben horen gillen. Daar ben ik zeker van. En hoewel ik het verdiend heb, durf ik vandaag mijn gezicht niet te laten zien.

Arme Lijanne, ik ben bang dat ze me niet meer als haar vriendin zal zien, en terecht. Koos is een mispunt. Ik mocht het hem niet eens uitleggen, hoewel ik daar om gesmeekt heb. Hij weigert aan te nemen dat het mijn idee was om er met de voorste wagen vandoor te gaan. Lijanne is alleen maar meegegaan omdat ze mijn beste vriendin is. Waarom wil hij niet geloven dat Lijanne juist haar best gedaan heeft mij van mijn plannen af te houden? Hij zou trots op haar moeten zijn in plaats van haar te straffen.

Mijn God, waarom zijn mannen ook altijd zo koppig?

20 februari 1867

Ik ben in de rivier de Maas gevallen. Ik denk niet dat ik in mijn hele leven zo bang en koud geweest ben. Simon heeft me er gelukkig uit weten te redden. Hij zei dat hij met hart en ziel van me hield, maar heeft vervolgens mijn broek naar beneden gedaan en me zo’n ongenadig pak op mijn blote bips gegeven, dat ik ervan overtuigd ben dat hij een hekel aan me moet hebben.

Maar ik had haar goed te pakken. Dat is een hele troost. Die akelige vrouw heeft alle paardenmest van het hele kamp op moeten ruimen en weg moeten brengen. Dat zal haar leren om altijd met haar neus in de lucht te lopen. En hoe voelt het nu, betwetertje Laura Huisman?

21 februari 1867

Simon houd van me. Hoe heb ik daar aan kunnen twijfelen? Zijn mond, zijn handen, alles van hem; hij bezit mij. Deze gelukzaligheid die ik voel is wreed en genereus tegelijkertijd. Ik heb hem moeten beloven dat ik me beter zal beheersen. Ik zal mijn best doen, ik zweer op alles wat me lief is, dat ik mijn best zal doen. Maar ik zou heel dank=baar zijn als onze Lieve heer me daar een beetje bij helpt.

19 maart 1867

Lieve God, laat Simon en Koos er nooit achter komen wat Lijanne en ik hebben gedaan. We kunnen ons zelfs niet verschuilen achter die akelige Laura. Alsjeblieft God!

~~~~~oooOOOooo~~~~~

Het geluid van Simons stampende voeten op de trap deed Marlies terugkeren naar het heden. ‘Oh shit’ Ze voelde de paniek zich van haar meester maken. In eerste instantie wist ze niet eens welk excuus ze moest gebruiken. Het hart klopte in haar keel. Maar het bleek dat Simon het helemaal niet erg vond dat ze in slaap gevallen was nadat ze de kleren uitgezocht had. Hij was eerder op de dag zelf ook in slaap gevallen.

Ze had nog niet eens een achtste deel van het dagboek gelezen en werd er volledig door in beslag genomen. Marlies beloofde zichzelf dat niemand er haar van kon weerhouden, ook Simon niet, om het uit te lezen. Ze kon haar nieuwsgierigheid maar nauwelijks beheersen nu ze niet wist wat voor vreselijks Christa nu weer gedaan had. Het nam haar de hele avond in beslag. Ze zou ervoor zorgen dat er genoeg olie in de lamp zat als ze vanavond ging slapen.

Geef een antwoord