1770, De salon van een landhuis, iets buiten Parijs. De inrichting is rococo: veel versieringen, schilderijen, tapijten, gordijnen, alles in overwegend lichte kleuren. Buiten valt een heftige zomerregen neer, met af en toe een donderslag. Mme De Breuille ligt op een sofa, ze leest een boek. Het is een slanke, bijna magere vrouw, al een eindje in de dertig, gekleed in een lichte japon volgens de neo-classicistische mode uit die tijd. Haar haar is keurig gekapt, met kleine krulletjes over haar voorhoofd.
Mélanie komt binnen. Ze is een ongeveer twintigjarig dienstmeisje.)

Mélanie: Madame, er is bezoek voor U.

De Breuille: Wie is het?

Mélanie: De graaf van Comté, madame.

De Breuille: Ah. (korte pauze). Het regent heftig, nietwaar?

Mélanie: Ja madame.

De Breuille: Toen ik net naar boven liep zag ik dat het raam van mijn slaapkamer nog openstond. Het kleed is nat geworden.

Mélanie: Het spijt me madame. Ik dacht dat ik het gesloten had, maar misschien ben ik het vergeten. Ik zal het kleed te drogen hangen.

(Ze aarzelt even, alsof ze al weg wil gaan)

De Breuille: Toen ik jong was probeerde ik altijd naar buiten te glippen als het zulk weer was. Ik vond het heerlijk om nat te regenen. Natuurlijk kreeg ik altijd een standje van mijn moeder na afloop.

Mélanie: Madame.

De Breuille: Laat de graaf maar binnen. Hij zal nu wel nat genoeg zijn.

Mélanie: Goed madame.

(Mélanie verlaat de kamer. Mme De Breuille komt overeind, legt het boek op een tafeltje en loopt naar de openslaande deuren, die uitzicht geven op het terras. De graaf van Comté komt binnen, magere man van halverwege de 40. Zijn al wat grijzende haar is in een staart gebonden. Hij draagt een strakke pantalon en een grijs vest).

Comté: Jeanne.

De Breuille: Guillaume, lieve vriend. Wat een verschrikkelijk weer om in te reizen.

Comté: Voor jou, lieve vriendin, laat ik me met liefde doodregenen, dat weet je. Elke bliksemschicht die ik zag deed me denken aan jou.

De Breuille: Vleier. Neem een cognac, daar word je warm van.

Comté: Graag.

(Mme De Breuille schenkt een twee glazen cognac in, en overhandigt er één aan hem).

Comté: En, heb je dat boek nog gelezen dat ik je gegeven heb?

De Breuille: Guillaume, dat boek is volkomen verdorven. Die schrijver is een geperverteerde, een schandalig mens. Zijn denkbeelden zijn libertijns, en zijn schrijfstijl is onbeholpen en gekunsteld. Het is geen roman, het is… het is…

Comté: Dus je vond het mooi.

De Breuille: (lacht) Het is verschrikkelijk. Zijn ideeën zijn tegen alle goddelijke en menselijke wetten in, maar ik moet je bekennen dat sommige passages…

Comté: Ik wist het wel.

De Breuille: Maar de opvattingen van die man… Guillaume, als iedereen zo zou leven, zo zonder moraal, wat zou er dan gebeuren? Niemand is zijn leven veilig, alle zekerheden zijn weg, er is geen recht, geen God, geen ordening!

Comté: Je hebt gelijk Jeanne. Het zou het einde zijn van onze maatschappij als iedereen gaat leven volgens de ideeën van die markies. We volgen onze meest primitieve lusten, we gaan ons te buiten aan decadentie en wellust. Het zou zijn als de laatste dagen van het Romeinse rijk. Heerlijk toch! Laat het oude afsterven, een nieuwe tijd staat op het punt geboren te worden!

De Breuille: Er zijn er die zeggen dat ook hier, in Frankrijk… Dat onze maatschappij moet veranderen, zich moet vernieuwen. Dat de wetenschap en de logica in de toekomst ons zullen besturen in plaats van de koning en de adel.

Comté: Wie weet? Ik weet dat elke verandering gepaard gaat met geweld, met bloed, met onrecht. Misschien beschrijft die markies wel de tijd waar we doorheen zullen moeten voordat onze wereld zich heeft vernieuwd. Geen recht, alleen willekeur.

De Breuille: Volgens de markies is dat de essentie van het mens-zijn. Dat we ons van geen enkele moraal iets hoeven aan te trekken, dat recht en orde alleen kunstmatige beperkingen zijn die de mens onvrij maken. Willen wij vrij zijn…

Comté: Willen wij vrij zijn dan moeten we ons ontdoen van alle moraliteit die we hebben aangeleerd. Zou jij dat niet willen?

(Er valt een stilte. Dan loopt Mme De Breuille naar een bellekoord en trekt eraan. Enkele ogenblikken later komt Mélanie binnen).

De Breuille: Mélanie, weet je nog dat laatst mijn neefjes en nichtjes hier hebben gelogeerd?

Mélanie: Ja madame.

De Breuille: Hun ouders hebben toen een wilgenroede achtergelaten, zodat ik ze kon tuchtigen wanneer dat nodig was. Weet jij waar die roede is gebleven?

Mélanie: Ik denk dat hij nog in de logeerkamer ligt madame. Daar heeft U hem toen neergelegd.

De Breuille: Ga hem halen. Ik ga je straffen vanwege het raam dat je open hebt laten staan. Dat kleed wat onder het raam lag is erg oud en is me erg dierbaar. Door jouw nalatigheid is het nu beschadigd.

Mélanie: Madame?

De Breuille: Je hoort me toch, nietwaar? Haal die roede hier zodat ik je kan tuchtigen. (pauze. Mélanie kijkt ongelovig) Ik kan je natuurlijk ook op straat zetten, waar je vandaan kwam. Schiet op!

Mélanie: Ja madame.

(Mélanie verlaat het vertrek).

Comté: Wat wil je me laten zien?

De Breuille: Lieve vriend, we kunnen filosoferen tot de sterren naar beneden vallen, maar laten we liever eens proberen jouw immoraliteit in de praktijk te brengen.

Comté: Met het tuchtigen van een dienstmeisje die vergeten is een raam te sluiten?

De Breuille: Oh nee lieve vriend. Dat raam heb ik opengezet, voordat het begon te regenen. Ik moet vergeten zijn het te sluiten.

Comté: Je bent schaamteloos.

De Breuille: Immoreel lieve vriend. Immoreel.

(Mélanie komt binnen. In haar hand heeft ze een stevige roede van samengebonden wilgentwijgen, bij elkaar gehouden door een blauw lint).

De Breuille: Geef maar hier.

(Mélanie overhandigt met een klein knikje de roede aan Mme de Breuille).

De Breuille: Ik wil dat je je rok omhoog doet. Maak je geen zorgen over de aanwezigheid van mijn vriend hier, dit doet hem niets.

Mélanie: Madame, alstublieft…

De Breuille: Mélanie, ik heb je een opdracht gegeven. Ik verwacht van mijn personeel dat ze mijn opdrachten strikt opvolgen. Je hebt een overtreding begaan, je zult ervoor gestraft worden.

Comté: Lieve Jeanne…

De Breuille: Guillaume, dit is een zaak tussen mij en mijn personeel. Nu Mélanie, doe je wat je gezegd is of wil je liever je betrekking hier beëindigen?

(Langzaam schort Mélanie haar rok omhoog en ontbloot haar billen).

De Breuille: Buig je voorover, daar bij de sofa.

(Mélanie loopt naar de sofa en bukt zich, waarbij haar handen op de sofa steunen. Mme De Breuille komt bij haar staan, legt één hand op Mélanie haar rug. Dan heft ze de roede en slaat ermee op Melanie’s billen).

Mélanie: Ah!!

De Breuille: Weet je Melanie (weer een slag), mijn vriend hier is van opvatting dat overtredingen niet meer gestraft hoeven te worden. Hij wil de galg afschaffen, het schavot. Dieven mogen naar hartenlust stelen zonder angst voor een brandmerk. (weer een slag). Als jij over straat zou lopen ‘s avonds en een of andere schurk zou je overweldigen, dan vindt mijn vriend hier dat de dader daar niet voor gestraft hoeft te worden. (weer een slag). Wat vindt jij daarvan Mélanie? (weer een slag. Mélanie zegt niks, maar er stromen tranen over haar wangen).

De Breuille: Ik vroeg je wat Mélanie. (ze slaat opnieuw).

Mélanie: Ah…!

De Breuille: Geen orde meer, geen gezag. Alleen wetteloosheid. Dat kan toch niet de bedoeling zijn, nietwaar? (ze slaat weer)

Mélanie: U…U hebt gelijk, madame.

De Breuille: Vanuit de redelijkheid gezien zijn er maar twee mogelijkheden, toch? Of we handhaven de wetten, maar dan moeten er ook straffen zijn, of we vervallen in de natuurlijke staat van de dieren, waarbij het recht van de sterkste geldt. (ze slaat weer).

Mélanie: Ik weet het niet Madame. U hebt vast gelijk.

De Breuille: Dus moet ik jou straffen, nietwaar?

Mélanie: Ja, madame.

(Mme De Breuille slaat nog enkele malen met de roede op Mélanie’s billen).

*Mme De Breuille: Kom overeind, maak je kleren in orde, droog je tranen. (Mélanie gehoorzaamt). Laat de roede maar hier liggen. Je kunt gaan.

(Mélanie verlaat het vertrek).

Comté: En wat heeft deze kleine demonstratie nu precies duidelijk gemaakt? Dat je de baas bent over je personeel? Dat dit arme meisje zonder nadenken voor jouw drogredenering is gevallen?

De Breuille: Drogredenering?

Comté: Natuurlijk lieve Jeanne. Jouw redenatie staat op drijfzand. Is het immers niet zo, dat er alleen gestraft wordt als de schuld daadwerkelijk bewezen is. Jouw dief op het schavot wordt enkel gebrandmerkt als de rechter hem schuldig heeft bevonden. Jij daarentegen straft dit meisje voor een misdrijf dat ze niet begaan heeft, en nog wel met de schuld van het misdrijf op je eigen hoofd.

De Breuille: En wat als de dader van een misdrijf nu daadwerkelijk gelooft dat hij schuldig is? Moet hij dan worden gestraft of vrijgelaten? Moet justitie haar geloofwaardigheid houden of moet zo’n schavuit in elke kroeg in Parijs verkondigen dat hij vrijuit is gegaan voor een ernstig misdrijf?

Comté: In dit geval: het laatste. De daadwerkelijke, universele rechtvaardigheid gaat boven het individuele geval.

De Breuille: Dus jij gelooft in een allesomvattende rechtvaardigheid? Dat is in tegenspraak met wat die markies De Sade van jou beweert. Nou goed dan. Ik heb een onrecht begaan, ik heb die arme Mélanie gestraft op wrede wijze voor iets wat ze niet gedaan heeft. Moet ik hiervoor gestraft worden? Als jij gelooft in een allesomvattende rechtvaardigheid dan moet je mij kastijden zoals ik dat meisje gekastijd heb. Maar als je dat doet, dan accepteer je dat de ideeën van de markies slechts lege woorden zijn, en dat er wel degelijk moraliteit bestaat. Of anders je accepteert de visie van de markies, maar dan kun je mij niet straffen. Welaan lieve Guillaume, wat wordt het?

(Het is even stil. Dan loopt Comté naar de tafel en pakt de roede. Mme De Breuille lacht triomfantelijk. Dan -nog steeds lachend- bukt ze zich, pakt de zomen van haar japon en trekt die op tot aan haar middel, daarmee haar achterste ontblotend. Ze legt zich over de leuning van één van de stoelen).

De Breuille: Ik wist het wel. Je kunt niet tegen onrecht Guillaume, nooit gekund. Net zomin als tegen chaos en wetteloosheid. Je revolutionaire ideeën zijn als de regen die vandaag is gevallen, morgen zijn ze verdampt.

(Comté begint haar langzaam maar grondig met de roede op haar billen te slaan. Het zachte gelach van Mme De Breuille vermengd zich met het gezwiep van de twijgen).

Geef een antwoord