Bedreven voegde Kiria gele accenten toe aan de blaadjes van de wilde bloemen op de voorgrond van haar doek. Ze deed een stap achteruit en vergeleek met een kritisch oog het glimmende acryl landschap met het natuurlijke uitzicht voor zich. De madeliefjes waren niet helder genoeg en ze doopte haar kwast in de titanium witte verf op haar palet, toen een fris briesje in de achterkant van haar nek blies.

Het was een goed idee om in deze glooiende bergweide te gaan zitten, dacht ze en ze feliciteerde zichzelf met haar vindingrijk. Niemand had ooit eerder het tafereeltje voor haar op doek vastgelegd. Het was vast niet eerder voorgekomen dat iemand over het hek geklommen was, voorzichtig het prikkeldraad ontwijkend en het bordje negerend met de tekst: ‘Verboden voor onbevoegden. Overtreders worden vervolgd’.

Kiria had niet doelbewust de wet overtreden, maar de glimp van het uitzicht dat ze vanaf de snelweg had waargenomen was onweerstaanbaar geweest. Ze had haar auto in het gras naast de vluchtstrook geparkeerd en had een half uur gelopen en een steile, rotsachtige,  helling beklommen om hier te komen.

Ze glimlachte tevreden terwijl ze nog een laatste keer over het schilderij heen keek. Zorgvuldig zette ze het doek in haar verfdoos en draaide de houten schroeven in het frame om het deksel dat het doek moest beschermen, vast te zetten. Ze plaatste haar kwasten in de daarvoor bestemde gleuven en vouwde haar schildersezel en haar aluminium klapstoeltje in elkaar. Ze stopte alles in haar rugzak en zwaaide deze op haar rug.

Ze knipperde met haar ogen tegen het felle zonlicht en begon aan haar tocht over de bergkam die ze eerder had vastgelegd. Het was een mooie warme dag. Zo’n dag die geschikt was om te luieren in de zon en te kijken naar de overdrijvende wolken. Hoewel ze het liefst zou willen blijven, wist ze dat ze hier niet mocht zijn. Ze moest zo snel mogelijk terug naar haar auto.

Toen ze over het weiland naar het aangrenzende bos keek, wenkten de eiken en de iepen haar. Hun takken zwaaiden in de wind en ze kon de eekhoorns horen ratelen in de ritselende bladeren. Ze zag drie van die slimme beestjes achter elkaar aanjagen op het bladerdak van een eik. Ze sprongen naar een nabijgelegen dennentak. Lachend om een capriolen bleef ze even staan kijken.

De koele uitnodigende schaduw lonkte. Ze veegde de druppels zweet van haar voorhoofd. Ze passeerde een bosje doornstruiken en zag in de verte een man in haar richting aan komen lopen. Zijn lange benen sneden als een mes door de boter door het kniehoge gras. Ze vloekte binnensmonds en keek om zich heen. Ze kon nergens naar toe om zich te verstoppen. Ze was duidelijk zichtbaar terwijl hij op haar afliep. Ze waren slechts door het open veld van elkaar gescheiden.

Kiria liep langzaam achteruit terwijl de man naderde. Hij zag er groot en ruig uit en zijn biceps bolden onder de mouwtjes van zijn effen zwarte T-shirt. Hij hield een geweer in zijn hand, welke scherp afstak tegen de zijn lichte kaki spijkerbroek. Ze voelde een huivering door zich heengaan, terwijl de afstand steeds kleiner werd, ze kneep haar ogen een beetje dicht om zijn gezichtsuitdrukking te kunnen bestuderen.

Ze schrok toen ze de het ongelofelijk knappe gezicht herkende van Ansel de Wit, de presentator van een plaatselijk televisieprogramma over de natuur en de wilde dieren die er voor kwamen. Met een overweldigende golf van opwinding zette ze haar rugzak op de grond en maakte haar paardenstaart los. Ze schudde haar haren los, zodat het in glanzende, goud bruine lokken op haar rug viel. Ze vervloekte zichzelf dat ze zich die ochtend niet had opgemaakt. Ze beet op haar lippen om ze van wat kleur te voorzien. Ze inspecteerde haar kleding, trok de zoom vaan haar shirt recht. Het viel tot vlak boven haar heupbroek en zorgde ervoor dat haar nieuwe navel ringetje zichtbaar was. Het decolleté van haar shirt viel laag en accentueerde haar opzwellende borsten. Een zilveren adelaar aan een kettinkje lag tussen haar borsten verstopt. Ze glimlachte breed, haar tanden, die ze iedere zondag bleekte, schitterden in de zon.

Kiria stond op het punt Ansel de Wit te ontmoeten, wiens zaterdagochtend programma zelfs haar moeder deed kwijlen. Ze keek spiedend in het rond of ze een cameraploeg kon ontwaren en vroeg zich af of er misschien op dit moment opnames plaatsvonden! Ze hield haar adem in toen hij een paar meter voor haar bleef staan, Ze staarden elkaar zwijgend aan. Dit moment leek eindeloos lang te duren. Haar hart bonkte tegen haar trommelvliezen. Ze wist niet wat ze moest zeggen! Wat zei je eigenlijk tegen een beroemdheid? Hij zag er in het echt nog indrukwekkender uit dan op de televisie, zijn blauwe ogen schitterden in de zon, onder zijn donkere, expressieve wenkbrauwen. Ze keek omhoog in zijn boze blik.

‘Meneer de Wit!’, bracht ze uiteindelijk uit. Ze voelde zich flauwtjes. ‘Ik kan niet geloven dat u voor mij staat. Ik ben een echte fan van uw programma, meneer de Wit!’

Ansel de Wit negeerde haar compliment, zette de achterkant van zijn geweer op de grond en keek haar streng aan. ‘Wat doe je op mijn land?’, gromde hij. Zijn strenge toon drong echter niet tot het meisje dat voor hem stond door.

‘Ik was aan het schilderen! Mag ik een handtekening van u, meneer de Wit? Ik heb zelf wel een pen bij me…’ Kiria knielde op de grond en opende gehaast haar rugzak. Ze begon het zijvakje te doorzoeken.

‘Nee’. Zijn norse antwoord drong echter niet tot haar door. Haar vingers sloten zich triomfantelijk rond de pen. Ze sprong omhoog en hield hem de pen voor.

‘Ik denk niet dat ik papier bij me heb. Misschien dat u een handtekening op mijn rugzak kunt zetten? Het is echt geweldig om u eens in het echt te zien. Oh, dit moet ik mijn moeder vertellen. Ze zal niet weten wat ze hoort!’ Kiria pakte haar rugzak op, terwijl ze hem nog steeds haar pen voorhield. Ansel fronste zijn wenkbrauwen en pakte hem aan, maar toen greep hij haar bij haar hand en begon terug te lopen in de richting van het bos. Kiria liet zich gewillig door hem meetrekken. Ze moest flink doorlopen om hem bij te kunnen houden. Hij zou vast ergens gaan zitten om een handtekening op haar rugzak te kunnen zetten! Ze hield de hand vast van Ansel de Wit! De droge warmte van zijn hand tegen haar koele hand zond prettige sensaties naar haar hersenen en ze kon aan niets anders denken terwijl ze de weide overstaken.

Hij leidde haar langs de eerste bomen en stopte bij een grote boomstam. Hij liet haar hand los en ging erop zitten. Kiria hield hem haar rugzak voor. Ze zette haar liefste glimlach op toen hij deze van haar aanpakte. Maar in plaats van erop te schrijven, zette hij hem op de grond en legde de pen er bovenop. De onverwachte actie verbrak eindelijk de ban die haar in de greep had gehouden. Waarom zette hij geen handtekening op haar rugzak? Ze stond als aan de gond genageld voor hem, haar armen slap langs haar lichaam.

‘Eh… Meneer de Wit, gaat u er geen handtekening opzetten?’, vroeg ze terwijl het tot haar doordrong dat hij het helemaal niet zo leuk scheen te vinden dat ze elkaar ontmoet hadden. Hij zag er zelfs een beetje boos uit.

‘Nee, dat doe ik niet. Bovendien spreek ik volgens mij geen Russisch. Misschien dat je eindelijk de moeite kunt nemen mijn vraag te beantwoorden, wat doe je op mijn land?’

Zijn vernietigende sarcasme voelde als een klap in haar gezicht. Kiria staarde hem aan. Ze was zich plotseling bewust van de situatie. Ze bevond zich op verboden terrein en hij had alle reden om boos te zijn. Vervolgens had ze zich als een dweepziek meisje gedragen toen hij haar probeerde te confronteren met haar gedrag. Ze slikte moeizaam en deed een stap achteruit. ‘Eh…eh, meneer… ik zag het mooie uitzicht vanaf de snelweg en ben toen hier naar toe gekomen om het te schilderen. Het was zo’n mooi plekje, dat ik er geen weerstand aan kon bieden…’ Zag ze zijn frons een beetje ontspannen?

‘Heb je de bordjes met verboden toegang dan niet gezien?

‘Bordjes?’, herhaalde ze onnozel, terwijl ze naar zijn imposant brede borst staarde. ‘J-ja… ik heb die bordjes gezien…’ Ze knipperde met haar ogen. Ze probeerde te bedenken hoe ze zich hier onderuit kon kletsen. ‘Maar… ik kan niet lezen’, liet ze er zachtjes op volgen.

‘Dat is belachelijk’. Zijn stem klonk meer onverbiddelijk dan boos en ze durfde hem voorzichtig aan te kijken.

‘Nee, echt waar! Ik heb een leerstoornis, ik kan niet eens een krant lezen!’ Ze zag hoe hij een wenkbrauw optrok en een van zijn mondhoeken trillen. Hierdoor aangemoedigd ging Kiria verder, ‘Ik heb jarenlang speciaal onderwijs gevolgd en heb uiteindelijk woorden als poes en hond leren lezen, maar verder ben ik nooit gekomen’. Ze hoopte dat ze er even zielig uit zou zien, als ze eruit zag.

Ansel keek haar zwijgend aan tot ze het oogcontact verbrak en naar haar voeten staarde. Ze de neus van haar sportschoen roerde ze in de dennennaalden.

Uiteindelijk vroeg hij, ‘Waarom heb je eigenlijk een pen bij je?’

‘Zodat ik mensen kan vragen iets voor me op te schrijven’, antwoordde ze snel. Ze herinnerde zich plotseling weer dat ze hem haar pen gegeven had. Weer zei hij niets en liet haar in gespannen afwachting van de volgende vraag. Ze draaide cirkeltjes in de dennennaalden terwijl ze zich in haar nieuwe rol probeerde in te leven.

‘Hoe heb je je rijbewijs gehaald?’

Haar halfblinde en stokoude grootvader bracht oplossing. ‘Ik heb de vormen en symbolen van de verkeersborden uit mijn hoofd geleerd’.

‘Doe je aan internet bankieren?’

‘Nee’.

‘Hoe kun je dan betalen?’

‘Met mijn pasje natuurlijk’ Dat was de waarheid.

‘En wie betaald je rekeningen dan?’

‘Mijn moeder’. Na een korte pauze, voegde ze eraan toe, ‘Maar wel met mijn geld. Ze wilde niet dat hij zou denken dat ze geen geld had’.

‘Wat doe je voor de kost?’

‘Ik verkoop mijn schilderijen’. Ook de waarheid.

‘Hoe heet je?’

Ze zweeg even, en dacht vervolgens, tja waarom zou ik daarom liegen? ‘Kiria’.

‘Kira?’ Dat is een ongebruikelijke naam, hoe spel je dat?’

Een golf van frustratie ging door haar heen – hoeveel mensen spraken haar naam wel niet verkeerd uit? ‘Het is Kiria, niet Kira. K, i, r –’ begon ze, toen keek ze hem snel aan en voegde eraan toe, ‘Tja, ik weet natuurlijk wel hoe ik mijn naam moet spellen, dat heb ik wel duizenden keren geoefend’.

‘Tja, Kiria, omdat je niet kunt lezen, zal ik je maar overdragen aan de plaatselijke overheid. Daar moeten ze maar zien wat ze met je aan moeten’.

‘Wat?!’ Ze ontmoette zijn boze blik met verbazing. ‘Maar ik wist helemaal niet dat het verboden toegang was!’

‘Onwetendheid geeft je niet het recht de wet te overtreden’, zei hij nors. Hij greep de rugzak en de pen en hield haar deze voor. ‘Je bent op verboden terrein. Dat is een misdaad. Laten we gaan’.

Het was hem klip en klaar, dacht ze, haar hartslag ging tekeer bij de gedachte gearresteerd te worden. Hoe kon hij dit doen? Dit was helemaal niet de charmante man die ze het afgelopen jaar iedere zaterdag op de televisie zag.

‘Je gaat me echt aangeven, of niet?’, riep ze terwijl ze steeds meer in paniek raakte. ‘Maar ik heb niemand kwaad gedaan! Ik heb niets gestolen! Ik heb verdomme alleen maar een schilderijtje gemaakt!’ Alle bewondering voor haar held was verdwenen, toen Kiria haar handen in haar zij zette en meneer Ansel de Wit van het lokale televisiestation aankeek.

Ze deed snel een stap achteruit toen hij opstond en haar de les begon te lezen, ‘Nu moet je eens goed luisteren, jongedame, ik ben heel redelijk tegen je geweest, maar je hebt alleen maar tegen me gelogen. Zijn woorden waren waar, maar dat wilde ze niet toegeven.

‘Je bent helemaal niet redelijk tegen me geweest, je hebt me alleen maar beschuldigd en bedreigd’, riep ze terwijl ze tranen in haar ooghoeken voelde opkomen. Hij had haar leugens doorzien. ‘Als ik geweten had dat dit uw land was, dan was ik hier nooit gekomen. U lijkt helemaal niet op de Ansel de Wit van de televisie! U bent gemeen en wreed, ik wou dat ik u nooit ontmoet had!’

Ansel keek haar aan en zuchtte diep. ‘Kijk, die bordjes staan daar niet voor niets. En ik heb niet voor niets een geweer bij me. Ik beheer het wild op dit land. Het is gevaarlijk om hier te zijn’. Omdat zij geen enkele aanstalten maakte om in beweging te komen, slingerde hij haar rugzak over zijn schouder. ‘Hoelang ben je hier eigenlijk al?’

‘Ongeveer drie uur. Ik heb ik het land zitten schilderen en er is niets gebeurd. Ik geloof niets van wat u zegt. Als het werkelijk zo gevaarlijk is, waarom hangen dan nergens bordjes met ‘gevaarlijk’ erop?

Een triomfantelijke glimlach verscheen om zijn lippen. ‘Als je werkelijk niet kunt lezen, dan kun je helemaal niet weten wat er op de bordjes staat’. Toen Kiria haar blik liet zakken, pakte hij haar bij haar bovenarm en liep in de richting van het weiland. Ze trippelde naast hem en deed haar best om hem bij te houden. Ze schaamde zich. Ansel stopte toen ze het weiland opgelopen waren en liet haar los.

‘Het spijt me’, zei ze, terwijl ze over haar arm wreef en naar de grond keek. ‘Het pijt me dat gelogen heb. Maar ik was bang en wist niet wat ik moest doen’.

‘Doet er niet meer toe. Het heeft alleen maar tot uitstel geleid. Van welke kant ben je gekomen?’

Ze keek voorzichtig omhoog. Toen Kiria zijn ijzige blik zag, keek ze snel de andere kant op. ‘Daar vandaan’, mompelde ze en wees.

‘Ben je nu alweer aan het liegen? Daar kun je helemaal niet vandaan gekomen zijn. Dat is een veel te grote klim’.

‘Het is wel zo. Ik ben bij de snelweg over het hek geklommen. Toen de berg op en toen over de rotspartijen tot ik bij de rand van het weiland aangekomen ben’.

Hij deed zijn armen over elkaar. Kiria keek gebiologeerd naar zijn imposante biceps. ‘Laat me maar zien”, commandeerde hij.

‘Dat is goed’, antwoordde ze. ‘Zodra je me mijn rugzak gegeven hebt’. Misschien dat ze zou kunnen ontsnappen wanneer ze in de buurt van de snelweg zouden komen, maar ze zou onder geen voorwaarde zonder haar dure schilder spullen gaan. Ze stak haar arm uit. Hij kneep zijn ogen dicht.

‘Ik denk dat ik die nog maar even bij me houd’. Hij keek nog even het weiland rond en draaide zich vervolgens om. ‘Kom we gaan’.

Kiria voelde ondanks haar schuldgevoel, boosheid in haar opwellen om zijn brute manier van optreden. Jezus, ze had haar excuses al aangeboden en ze had geen schade aangericht. Wat was verdomme het probleem? Ze haalde diep adem en zei, ‘Meneer de Wit, ik verzet geen stap zonder mijn spulletjes’.

‘Ik zal je naar de snelweg slepen als het moet’.

Hoewel ze er niet aan twijfelde dat hij dat zou kunnen, ging ze op het gras zitten. Ze was niet van plan het hem gemakkelijk te maken. Toen hij geen beweging in haar richting maakte, deed ze haar haren weer in een staart met het elastiekje wat ze om haar pols had gedaan. Terwijl er een de stilte tussen hen steeds dreigender werd, staarde ze naar zijn schoenen.

Toen hij zijn geweer op de grond liet zakken, viel ze tegen hem uit, ‘Kijk, ik heb u al gezegd dat het me spijt. Het spijt me dat ik me op verboden terrein begeven heb. Maar u maakt me bang. U sleurt me hier door het weiland en nu probeert u mijn schilder spullen te stelen! Dat brengt de stand op 1-1. Geef me mijn spullen terug en ik zal graag vergeten dat ik u ooit ontmoet heb’ Ze trok haar knieën omhoog en sloeg haar armen erom heen. ‘Ik zal niemand hier iets van vertellen, dat beloof ik!’

Er verstreek nog een minuut in stilzwijgen. Ansel nam zijn geweer weer op en zette zich in beweging. Kiria bleef stil zitten en keek hem met groeiende ergernis na. Haar autosleutels zaten in haar rugzak, die achteloos over zijn schouder bungelde. Ze dacht dat hij waarschijnlijk verwachtte dat ze hem achterna zou lopen, maar het was nooit een sterke kant van haar geweest om te doen wat er van haar verwacht werd. Ze vroeg zich af wat hij eigenlijk met gevaar bedoelde en keek nerveus om zich heen. Hij zou haar hier toch niet alleen en zonder bescherming achterlaten? Hij zou wel snel terug komen. Dat, of hij zou de politie op haar afsturen. Ze dacht terug aan zijn laatste televisieprogramma’s en kon zich geen andere dieren bedenken die in dit gebied leefden, dan de bever. Het zou allemaal wel goed komen. Kiria ging in de yoga positie zitten en kwam langzaam weer tot zichzelf.

Tien minuten later hoorde ze paar meter verderop een tak breken. Ze draaide haar hoofd en wachtte, onbeweeglijk, behalve het door haar ademhaling op en naar gaan van haar borst. Ze hoorde het snelle ruisen van de dennennaalden en vocht tegen de drang om op te springen en weg te rennen. Als ze iets geleerd had van de programma’s van die brute man, dan was het wel nooit in paniek te raken. Wat voor dier kon dit zijn? Een beer, een bergleeuw of misschien iets wat nog exotischer was? Het geritsel werd luider en opeens sprong er een konijn achter de bosjes vandaan. Kiria moest bijna lachen van opluchting. Ze ontspande en keek naar het konijntje wat over het gras sprong.

Ze strekte haar benen, toen er opeens, ongeveer vijftig meter bij haar vandaan iets wits aan kwam flitsen dat zich bovenop het konijntje stortte. Kiria liet zich plat op de grond vallen. Ze trilde van angst, terwijl ze grommen en piepen hoorde toen wat het ook was zich op zijn prooi stortte. Toen was alles stil op het bonken van haar hart na. De wind ruiste nog steeds door de bomen. Toen ze voorzichtig een oog opende keek ze recht in de gele ogen van een wilde kat, die een paar meter van haar af stond; het konijn bewegingsloos in zijn bek. Het bloed drupte van zijn kaken en maakte rode vlekken op het groengele gras. Het beest staarde haar enige tijd aan, draaide zich om en begon in de richting van het bos te sukkelen. Kiria lag bewegingsloos te hijgen, bang dat het dier zich zou bedenken en terug zou komen.

De seconden verstreken langzaam, totdat ze opeens de diepe en kalme stem van Ansel de Wit haar naam hoorde zeggen. Ze deed haar hoofd omhoog en zag dat hij een meter of dertig van haar af stond, zijn geweer in aanslag. ‘Kom hier naar toe’, zei hij.

Kiria sprong onmiddellijk op en rende zonder om te kijken naar hem toe. Het voelde een beetje vreemd om naar een man toe te rennen die een geweer op haar richtte, maar ze vertrouwde haar op dat hij haar rugdekking gaf. Toen ze hem gepasseerd was, draaide ze zich om en keek het weiland rond. Ze hijgde meer van angst dan vanwege zuurstofgebrek.

‘Kom, we gaan’, zei hij en liep in de richting van de berg die ze beklommen was. Regelmatig keek hij om, om de omgeving af te speuren. Kiria moest flink doorlopen om niet achterop te raken, maar was nu meer dan bereid om hem te gehoorzamen. Ze was nog nooit van haar leven zo bang geweest, en de politiecel was een meer dan welkom alternatief voor een hernieuwde kennismaking met de wilde kat. Toen ze de rand van het weiland bereikten, ging ze zitten om aan de afdaling te beginnen.

‘Ik ga eerst’, zei Ansel. Ze wachtte tot hij zijn geweer over zijn schouder hing, samen met de rugzak en stapte voor haar naar beneden. De rotsachtige helling vormde geen probleem, althans niet voor Kiria, die de afgelopen zomer met een groep jongeren was wezen bergbeklimmen. Het schoot echter niet snel op, want Ansel, die voor haar liep, bleef vlak voor haar lopen, alsof hij dacht dat zou vallen. Tegen de tijd dat ze een hal uur later het met gras begroeide deel van de berg bereikten, was Kiria duidelijk uit haar humeur en stond haar blaas op springen.

Ze stond op de stevige ondergrond en keek hem aan. ‘En nu wil ik mijn rugzak terug’.

Ansel keek haar onderzoekend aan. Zijn boosheid was gezakt en hij zag dat ze inmiddels meer van zichzelf liet zien. Onstuimig, onvolwassen en ongeduldig waren slechts een paar eigenschappen die haar sierden. Toch was er iets in haar elfachtige gezicht, haar kaaklijn en haar gracieuze bewegingen, die gevoelens bij hem deden ontwaken, die hij lang geleden opgeborgen had. Ze was sterk en slank als een rendier, zacht en lief als een konijntje en koppig als een ezel. Dat ze hem niet aan kon kijken als ze hem stond voor te liegen, was een gunstig teken. De blik van ergernis op haar gezicht was evenwel zo vervelend als de hel. Ze hield haar hand uitgestoken alsof ze verwachtte dat hij haar op haar commando de rugzak zou overhandigen.

Ansel negeerde haar, draaide zich om en begon de helling af te dalen die naar de snelweg leidde.

‘ We zijn nog steeds niet veilig’, liet hij haar weten. Het geluid van gesmoorde vloekwoorden volgde hem de komende twintig minuten.

Nadat hij voorzichtig over het hek geklommen was, ging Ansel op het gras zitten en strekte zijn benen. ‘Het is tijd dat wij eens met elkaar praten’, zei hij. Haar ogen sperden zich verbaasd open.

‘Ik wil helemaal niet praten!’, protesteerde ze. ‘Ik wil alleen maar mijn spullen terug en vertrekken! En ik beloof dat ik, nadat wat er gebeurd is,  nooit meer op verboden land zal komen. Ik ben nog nooit van mijn leven zo bang geweest! Laat me alsjeblieft naar huis gaan’, smeekte ze terwijl ze van het ene been op het andere dribbelde.

‘Je wilde dat ik redelijk zou zijn, dus ga je zitten’, Ansel kopte op de grond naast zich, maar Kiria bleef volharden in haar vreemde dans, op enige meters van hem.

‘Ik… ik moet er vandoor!’, legde ze uit, terwijl ze steeds sneller heen en weer begon te springen.

Met een ingehouden glimlach, wees hij op de bosjes verderop.

‘Ik heb papier nodig’, zei ze terwijl ze op haar rugzak wees.

Ansel rolde met zijn ogen en ritste de rugzak open en begon tussen alle spullen te zoeken. Maar Kiria kon niet langer wachten. Ze danste naar hem toe en ritste het zijvakje open, haalde een pakje papieren zakdoekjes tevoorschijn, die ze normaal gesproken gebruikte om vegen verdwaalde klodders verf te verwijderen. Ansel ademde diep in toen ze met haar haren door zijn gezicht streek. Hij bewonderde haar porseleinachtige huid, voordat ze zich met een ruk terugtrok, plotseling bewust van hun nabijheid.

Kiria haastte zich naar de privacy van de bosjes. Na veel geritsel kwam ze eindelijk tevoorschijn en slenterde in zijn richting om naast hem te komen zitten. Er speelde een glimlach om haar mond.

Ansel lachte in zichzelf, hij herkende haar veranderde tactiek. De confrontatie en brutaliteit hadden niets opgeleverd, en nu probeerde ze het met de strooppot. Ze keek hem met een onschuldige blik aan.

‘Meneer de Wit, het spijt me echt heel erg dat ik uw land betreden heb, echt waar!’ Haar gezichtsuitdrukking liet berouw zien. ‘Breng me alstublieft niet naar de politie! Ik heb mijn lesje wel geleerd, dat beloof ik! U wilt me toch niet in de gevangenis hebben, toch? Ik heb nog nooit eerder iets gedaan wat niet mag!’

‘Ik weet het niet… ik moet er nog eens goed over nadenken. Ik heb nog niet besloten wat ik ga doen’. Hij zag hoe haar wenkbrauwen ongemakkelijk omhoog gingen. ‘Vertel me eerst eens wat meer over jezelf’.

‘Eh… tja… ik ben een kunstenares en ik woon bij mijn moeder, en ik heb er echt heel veel spijt van dat ik omhoog geklommen ben. Want als ik een strafblad krijg, is mijn carriere naar de filistijnen, want de burgemeester heeft me opdracht gegeven een paar schilderijen te maken voor het stadhuis, het spijt me echt heel erg dat ik me op verboden land begeven heb… Breng me alstublieft niet naar de politie, ik heb zoiets nog nooit eerder gedaan, en …’

Ansel stak zijn hand omhoog. Ze hield onmiddellijk op met ratelen en keek hem met grote ogen aan.

‘Hoe heet je voluit?’

‘Kiria Martin’.

‘Hoe oud ben je?’

‘Eh… zeventien’, mompelde ze en liet haar blik naar de grond gaan.

‘Juffrouw Martin, ik wil je echte leeftijd horen’

‘Ik ben zeventien! Ik ben geboren in 1993! Kiria deed de veter van haar schoen opnieuw vast en schoof een beetje bij hem vandaan.

De spieren in de kaak van Ansel trokken samen, toen hij zijn geduld begon te verliezen. ‘Je kunt dan misschien snel rekenen, maar ik geloof niet dat je een dag jonger bent dan eenentwintig!’

Ansel keek haar met een blik van ongeloof aan. Ze had ontegenzeggelijk bewezen goed te kunnen rekenen, maar hij wist dat ze zat te liegen. Hij wist zeker dat ze zouder was dan zeventien. Als hij ergens niet goed tegen kon, dan was het tegen oneerlijkheid. Je op verboden land begeven was erg, maar dit was in zijn ogen nog veel erger. Een bezoekje aan het plaatselijke politieburo zou haar waarschijnlijk wel een toontje lager laten zingen, maar hij wilde haar carriere niet op het spel zetten.

‘Laat me je rijbewijs een zien’, zei hij. Hij zag dat ze een kleur kreeg.

‘Ik ben deze de afgelopen week verloren’.

‘Je rijd dus zonder rijbewijs?’

‘Eh ja,… ik denk het wel’.

‘Dat is tegen de wet, of niet? Je zei dat je verder geen tegen wettelijke dingen op je naam hebt staan’.

Kiria rolde haar ogen in de richting van de overdrijvende wolken. ‘Ja, ok, maar het is niet nodig een rijbewijs bij je te hebben. Als je aangehouden wordt, kan hij het zo op zijn computer in zijn auto opzoeken’.

‘Zit het hier in?’ Ansel begon ijn haar rugzak om te rommelen.

‘Nee!’ Ze trok hem uit zijn handen, deed snel de ritsen dicht en drukte de rugzak beschermend tegen haar borst.

Hij liet haar de tas houden. Hij keek haar aan terwijl hij zich afvroeg wat hij met haar aan zou moeten. Hij zou haar het liefst een lesje willen leren dat ze niet snel zou vergeten. Hij zou haar het liefst over zijn knie willen leggen en haar een stevig pak op haar billen willen geven. Hij pakte haar beet en trok zich naar haar toe.

‘Dat was de laatste keer dat je tegen me gelogen hebt, jongedame’, zei hij. Kiria worstelde om weg te komen. Ze gilde van ontzetting toen hij haar handen op haar rug dwong, haar over zijn linkerknie duwde en haar benen vastklemde met de zijne. Ze was sterker dan hij gedacht had en het duurde even voor hij haar gefixeerd had. Hij deed zijn hand omhoog en liet deze met een luide klets op het zitvlak van haar broek terecht komen.

Kiria was verbijsterd dat hij haar over de knie gelegd had. Als die eerste klap niet zo’n pijn gedaan had, dan was ze in lachen uit gebarsten. Ze had als kind nooit een pak op haar bips gehad en het feit dat dit nu wel gebeurde was absurd! Terwijl ze nog steeds lag te worstelen, daalde de tweede klap neer. De pijn maakte haar nog veel bozer en ze gilde het uit.

‘Stop! Vuile klootzak! Laat me los! Een regen van pijnlijke kletsen volgde onmiddellijk en ze liet haar hoofd zakken om haar tanden in zijn bovenbeen te zetten.

‘Auw!”, schreeuwde Ansel, en Kiria was opeens vrij. Ze rolde van zijn schoot, sprong overeind, terwijl hij over zijn bovenbeen wreef en haar aanstaarde. Ze greep haar rugzak en begon de heuvel af te rennen, maar hij sprong overeind en hield haar tegen voor ze meer dan een paar meter af had kunnen leggen. Hij trok haar naar de grond terwijl hij een arm om haar middel geklemd hield.

‘Oef!’, kreunde ze terwijl ze op zijn borst landde. Hij draaide haar op haar buik en liet vervolgens dertig harde klappen op haar billen neerdalen. Kiria trapte verwoed met haar benen en probeerde onder hem uit te komen, maar ze kon geen kant uit. De klappen brandden door haar broek heen, het gras kriebelde aan haar kin en armen.

‘Stop!’, hijgde ze. ‘Ik krijg bijna geen adem!’ Toen hij zijn gewicht een beetje van haar afhaalde, zoog ze haar longen vol met koele lucht. Haar gezicht was rood van schaamte en ze probeerde te gaan zitten, maar ze stootte tegen zijn massieve borstkas aan.

‘Nee’, liet hij haar weten, ‘ik ben nog niet met je klaar’. Hij drukte haar weer omlaag en zette de strafoefening voort. Kiria vocht als een bezetene. Ze had geen ervaring met een pak op haar billen en ze wist niets beter te doen terwijl de pijn zich verder opbouwde.

‘Geef toe dat je gelogen hebt en zeg dat het je spijt’, drong Ansel aan, en voegde een paar harde kletsen aan zijn woorden toe.

‘Oh! OK! Ik heb gelogen! Het spijt me!’, antwoordde ze onmiddellijk. ‘Het spijt me! Stop, alsjeblieft! Het spijt me! Ik heb gelogen! Ik kan wel lezen ! En ik ben tweeëntwintig! Ik heb mijn rijbewijs niet verloren! Ik zal nooit meer liegen, alsjeblieft, houd daar mee op, alsjeblieft!

Ansel liet haar los. Ze rolde snel bij hem vandaan en ging zitten. Ze verborg haar gezicht in haar handen toen ze ongewenste tranen voelde opwellen. Ze was nog nooit eerder zo vernederd! Haar bips stond in brand en wilde de pijn heel graag weg wrijven. Maar het was ondenkbaar om dat te doen. Ze trok haar knieën tegen haar borst en veegde haar tranen weg. Ze vroeg zich af wat je eigenlijk moest doen nadat je een pak op je billen had gekregen, in het bijzonder van een aantrekkelijke man.

Dit was het meest dramatische moment van haar leven, bedacht ze zich. Ze huilde nooit, ze had nog nooit met een man gevochten en was nog nooit op een leugen betrapt. Na lange tijd wierp ze een steelse blik op Ansel. Hij lag onbekommerd op zijn rug naar de wolken te kijken.

‘Ben je al bereid om te praten?’, vroeg hij streng.

Kiria slikte moeizaam. ‘Ja, antwoordde ze. Ze voelde zich als een klein meisje.

‘Begin niet weer met liegen’, waarschuwde hij.

‘Dat zal ik niet doen’. Ze voelde de pijn langzaam wegebben en een vloeibare warmte verspreidde zich in haar buik. Ze had daarnet een pak op haar bips gekregen omdat ze gelogen had. Ze voelde geen wrok, alleen maar een vreemd gevoel van vergelding. Ze was onder de indruk van Ansel de Wit. Niet vanwege zijn beroemdheid, maar vanwege zijn mannelijkheid.

Niemand had ooit eerder het lef gehad haar tot iets te dwingen. Niemand had haar ooit eerder van liegen beschuldigd, ook niet als ze het wel vermoedden. Kiria had een vrije opvoeding gehad; haar moeder had haar zelden iets verboden, had nooit haar stem tegen haar verheven, en had haar nooit een pak op haar billen gegeven. Dit was een unieke ervaring, en Kiria realiseerde zich dat ze zich op dit moment heerlijk ontspannen voelde. Ze lag op haar rug in het gras en keek naar de wolken.

Geef een antwoord