2 jaar eerder

Ik lag een paar uur in bed, maar ik sliep nauwelijks. Om half zes hoorde ik het brommertje van de krantenjongen. Ik besloot om op te staan, want slapen zou toch niet meer lukken. De rest van het huis was nog in diepe slaap. Ik bladerde de krant door, zonder dat het echt tot me doordrong wat ik las. In de keuken rookte ik een sigaret. Er was toch niemand om tegen me te zeggen dat dat niet mocht.

Timmy wekte ik op de gewone tijd. Ik waste hem, kleedde hem aan en maakte een ontbijt voor hem. Timmy was nog te klein om te snappen wat er aan de hand was, dus het leek mij voor hem het beste om alles zo normaal mogelijk te doen. Toch leek Timmy wel aan te voelen dat er iets vreemds was. Hij begon te huilen toen ik hem in zijn stoel aan de keukentafel zette. Ik probeerde hem te troosten met zijn knuffelbeer, met zijn favoriete speelgoedautootje en met een cd’tje met vrolijke kinderliedjes, maar het hielp allemaal niet. Zijn boterham met chocopasta, normaal gesproken een grote favoriet, liet hij onaangeroerd staan. Alleen zijn beker drinkyoghurt slobberde hij tussen het snikken door wel leeg. Na een tijdje proberen vond ik dat het lang genoeg geduurd had. Ik veegde de melksnor van Timmy zijn toet en gooide de boterham met chocopasta in de vuilnisbak. Daarna nam ik Timmy een tijdje op de arm. Hij greep mijn trui stevig vast met zijn knuistjes, zodat ik niet op het idee zou komen om hem weer lost te laten, en legde zijn wang tegen mijn borst. Vanuit mijn ooghoeken zag ik het op de keukenklok steeds later worden, maar ik onderdrukte mijn ongeduld en bleef Timmy vasthouden totdat hij gekalmeerd was.

‘Zullen we je tas in gaan pakken?’, probeerde ik voorzichtig. ‘Dan gaan we zo naar juf Nienke.’

Timmy vond het goed. Het idee dat hij gewoon naar de crèche leek hem wel aan te spreken.

We zochten snel zijn spulletjes bij elkaar. Die deden we in het Sesamstraat tasje, dat al klaarstond op het aanrecht. Ik wilde Timmy optillen om hem naar de auto te dragen, maar dat vond hij niet goed. Hij wilde zelf lopen. Ik vond het allemaal best, als het maar niet te lang duurde. We liepen samen naar de achterdeur. Timmy zette zijn handjes tegen het glas van de deur. Hij keek me vol verwachting aan.

‘Sjesh openu!’, riep hij. ‘Sesam open u’, bedoelde hij daarmee.

Dit spelletje speelden we elke dag. Op Timmy zijn commando drukte ik op de afstandsbediening van de schuurdeur. De grote, metalen roldeur schoof dan langzaam open.

Timmy kraaide van plezier, zoals altijd, maar ineens werd hij stil.

‘Papa auto?’, vroeg hij verbaasd.

Ben zijn auto stond inderdaad keurig in de schuur. Timmy begreep er niets van: papa was niet thuis, maar zijn auto was er wel. Ik was de hele nacht bezig geweest om te bedenken hoe ik deze dag door zou gaan komen en ik dacht dat ik het allemaal aardig op een rijtje had, maar dit had ik duidelijk over het hoofd gezien.

‘Ja, dat heb je goed gezien. Dat is papa zijn auto’, was het enige dat ik nog wist te zeggen.

Maar Timmy liet zich niet paaien.

‘Waar papa dan?’, wilde hij weten.

Ik probeerde snel een passende verklaring te verzinnen, maar mijn creativiteit liet me in de steek. Dus vertelde ik maar gewoon de waarheid. Het leek weinig indruk te maken. Timmy trok een moeilijk gezicht, alsof hij even moest nadenken. Toen knikte hij met een blik van ‘oké, het zal wel’ en werd zijn aandacht weer opgeëist door andere dingen. Ik moest de achterdeur voor hem openmaken, want hij wilde naar buiten.

Ik bracht Timmy met de fiets naar school. Timmy wilde eigenlijk met de auto, met papa’s auto het liefst, maar daar had ik geen zin in, ik wilde frisse lucht. Ik tilde Timmy op, hij begon meteen weer te jengelen, en ik wurmde hem in zijn stoeltje achter op de fiets. Timmy stribbelde behoorlijk tegen. Ik gaf hem een flinke duw, misschien net iets harder dan strikt noodzakelijk, waardoor Timmy met een plof in zijn stoeltje belandde. Timmy keek me stomverbaasd aan, hij vergat helemaal om te huilen of te schreeuwen. De hele weg bleef Timmy zo braaf en rustig in zijn stoeltje zitten, dat ik me bijna zorgen begon te maken. Bij de creche aangekomen liet hij zich zonder enig protest uit zijn stoeltje tillen. We liepen zoals altijd samen naar binnen, maar zodra Timmy zijn speelkameraadjes zag was hij mij helemaal vergeten. Ik bleef nog heel even staan kijken en liet hem toen achter in de vertrouwde handen van juf Nienke.

Normaal had ik bij het hek nog even een praatje gemaakt en een sigaretje gerookt met de andere moeders, maar nu wilde ik zo snel mogelijk naar huis. Ik stapte op de fiets, maar net voordat ik weg kon rijden ging mijn telefoon. ‘Het ziekenhuis’, dacht ik meteen. Ik stapte af, liet mijn fiets op de grond kletteren. Het was een heel gewoon telefoontje, een kennis die me wilde uitnodigen voor haar verjaardag. Ze kletste heel gewoon tegen me, alsof er niets aan de had was. Natuurlijk wist ze nog niet wat er gebeurd was en dat kon ze ook helemaal niet weten, maar toch irriteerde het me verschrikkelijk dat ze zo gewoon deed. Ik verbrak de verbinding zonder nog iets tegen haar te zeggen. Mijn telefoon ging meteen weer. Aan het nummer op de display kon ik zien dat het weer mijn kennis was. Ik stopte mijn rinkelende telefoon weer terug in mijn tas. Ooit zou ik het wel weer goed maken met haar en anders ook maar niet.

Ik bukte voorover om mijn fiets op te rapen. Achter me hoorde ik allemaal stemmen, toen pas had ik door dat alle moeders naar me stonden te kijken. Ze keken me allemaal aan met blikken vol met iets waarvan ik dacht dat het medelijden was. Ik begreep dat de tamtam op de een of andere manier zijn werk al gedaan had. De hele omgeving wist al lang dat er iets met Ben aan de hand was. Ze wisten waarschijnlijk nauwelijks wie Ben was, want hij bemoeide zich zo weinig mogelijk met de mensen uit de buurt, maar het nieuws was blijkbaar wel de moeite waard. Er gebeurde toch al zo weinig in deze omgeving en hoewel de dames wel gezellig met me kletsten, bleef ik altijd al een beetje een buitenbeentje. Iemand die ze een beetje vreemd vonden, maar waar ze ook wel een beetje tegenop keken. In elk geval iemand waar ze zonder al te veel schuldgevoel over konden roddelen. In de loop der jaren hadden de dames al heel wat sappige verhalen over me bedacht. Zo ging er een tijdje het gerucht dat ik een geheime minnaar had (niet waar, maar Ben heeft me wel flink gespanked toen hij het hoorde, zodat ik ook niet in de verleiding zou komen). Later was er het verhaal dat ik mijn borsten had laten vergroten (ook niet waar, ik had ze alleen laten liften na de geboorte van Timmy). Meestal kon ik smakelijk om de verhalen lachen, maar ik had natuurlijk geen zin om de hoofdrol te spelen in de roddel ‘Drama voor Anne, man ernstig ziek’ (helaas wel waar).

Het was nog steeds stil in huis toen ik terugkwam. Mandy was opgestaan, ze zat aan de keukentafel en las de ochtendkrant. De kinderen lagen nog in bed. Ik liet ze slapen, want ik had al besloten dat ze die dag niet naar school hoefden.

‘Moet je niet naar je werk?’, vroeg ik aan Mandy.

Mandy keek even op van haar krant.

‘Ik heb even geen werk’, zei ze achteloos. ’Ik ben vorige maand ontslagen.’

Ik keek Mandy verbaasd aan, ik probeerde tenminste verbaasd te kijken. Eigenlijk verbaasde het me helemaal niet. Zo ging het wel vaker met Mandy. Ik vroeg niet wat er deze keer gebeurd was, dat interesseerde me niet op dat moment. Mandy leek ook niet van plan om uit zichzelf meer te vertellen.

‘Als je wilt kan ik hier blijven om je een beetje te helpen. Ik heb voorlopig toch niets anders te doen’, zei ze.

Ik knikte.

‘Dat zou heel fijn zijn’, zei ik dankbaar.

‘Zal ik dan maar beginnen om een goed ontbijt voor jullie te maken? Ik zag allemaal lekkere dingen in de koelkast liggen. Dan kunnen je onder het eten de kids vertellen wat er allemaal aan de hand is. Ik zal jullie wel even alleen laten.’

Ik dacht aan het eten in de koelkast: verse broodjes, roomkaas, bacon, marmelade, vers geperst sinaasappelsap, allemaal dingen die ik in een romantische bui had gekocht. Bedoeld als ingrediënten voor een voedzaam ontbijt na een lange, stevige vrijpartij. In plaats daarvan zouden ze nu dus gaan dienen als ingrediënten om mij en de kinderen te troosten.

Ik maakte Sanne en Patrick voorzichtig wakker. Ze keken me heel even slaperig aan, maar wisten daarna meteen weer dat er iets aan de hand was met papa. Nog voordat ze waren opgestaan begonnen ze met vragen stellen. Ik nam ze in hun pyjama mee naar beneden, naar een mooi gedekte ontbijttafel waarop alle lekkers stond uitgestald. Ze lieten zich nauwelijks afleiden door het eten en gingen door met vragen stellen. Ik vertelde zo rustig mogelijk wat er gebeurd was. Sanne begon meteen te huilen, Patrick even later ook.

‘Wanneer mogen we papa zien?’, snikte Patrick.

Ik dacht aan het beeld van Ben, gekoppeld aan allerlei apparaten op de intensive care. Dat leek me een beeld waar kinderen nachten wakker van konden liggen.

‘Papa ligt nu nog op de intensive care, dat is niets voor kleine kindertjes. Als hij weer op een gewone kamer ligt mogen jullie naar hem toe.’

Patrick hield er al niet van om klein genoemd te worden, maar Sanne, op haar dertiende al een echte jongdame, was echt diep beledigd.

‘Ik ben geen toch kind meer’, schreeuwde ze. ‘En ik mag mijn eigen vader toch wel zien als ik dat wil.’

‘Wil je niet zo schreeuwen?’, zei ik rustig. ‘Je bent dan misschien geen kind meer, maar ook zeker nog geen volwassene en nee, je mag je vader nu even niet zien. Zo is dat nu eenmaal.’

Sanne keek me woedend aan. Ze wilde opstaan, maar ik pakte haar bij haar arm en trok haar terug in haar stoel.

‘Zitten en eten’, zei ik streng.

Als ze de confrontatie zoekt, dan kan ze die krijgen, dacht ik.

Even hing er een grimmige sfeer aan tafel. Sanne knabbelde met een boos gezicht aan een croissant. Patrick keek afwezig voor zich uit.

‘Moeten we eigenlijk niet naar school?’, vroeg hij ineens.

‘Vandaag niet, morgen wel’, zei ik beslist.

‘Maar wat gaan we dan doen vandaag, als we niet naar papa toe gaan?’

Daar had ik nog helemaal niet over nagedacht. Ik kon het de kinderen niet aandoen om de rest van de dag maar een beetje in huis te blijven zitten, ze hadden afleiding nodig en ikzelf ook. Snel keek ik om me heen, alsof ergens in de keuken een oplossing voor handen was. Ik zag dat het buiten stralend weer was.

‘We gaan een flink stuk wandelen’, zei ik beslist.

Patrick leek dat wel een goed idee te vinden. Sanne zei niets, maar het was duidelijk dat ze niet erg veel zin had in een dagje in de natuur.

‘Kom kinders’, zei ik overdreven opgewekt. ‘Aankleden en naar buiten. Ik ruim wel af.’

Patrick was na een kwartiertje alweer beneden, maar Sanne was er na bijna een uur nog steeds niet. Ik riep naar boven dat ze op moest schieten.

‘Ik ga echt niet mee hoor’, riep Sanne terug.

Ik stormde de trap op en gooide de deur van Sanne haar kamer open zonder kloppen. Ze lag in haar ondergoed op bed te bladeren in een tijdschrift.

‘Hé, kun je niet kloppen?’, riep Sanne verontwaardigd.

‘Je krijgt nog een kwartier om je aan te kleden’, zei ik dreigend. Als je dan niet met je wandelschoenen aan beneden staat, dan zwaait er wat.’

Sanne keek me verbaasd aan. We hadden nog niet eerder zo’n soort conflict gehad. Mopperend kwam Sanne overeind. Binnen tien minuten was ze beneden. Sanne was kennelijk nog niet puber genoeg om uit te proberen wat ik bedoelde met ‘dan zwaait er wat’.

*

Ik kreeg tijdens één van mijn eerste bezoeken aan het ziekenhuis, toen Ben nog niets eens aanspreekbaar was, al te horen wat me de komende periode allemaal te wachten stond. Een speciaal daarvoor opgeleide psychologe, een oudere dame met grijs haar en een bril aan een koordje, nodigde me uit voor een gesprek.

Ik heb iets tegen psychologen. Een gevoel dat niet voortkomt uit slechte ervaringen, maar vooral uit jaloezie. Ooit wilde ik zelf graag psycholoog worden. Ik ben toen ook aan de studie begonnen, in de hoop dat ik dingen zou leren om anderen te kunnen helpen. Stiekem hoopte ik ook dat ik vooral dingen zou leren, waarmee ik mezelf zou kunnen helpen. Na een half jaartje was ik helaas nog steeds een verward meisje van achttien. De moeilijke theorieën die ik leerde maakten dat alleen maar erger. Aan het einde van mijn eerste studiejaar was ik zo in de war dat ik zelf professionele hulp nodig had. De eerste opdracht die ik toen van mijn therapeut kreeg was onmiddellijk stoppen met mijn studie. Een aantal sessies later stelde hij voor om me op te laten nemen.

‘Maar ik ben toch niet gek,’ huilde ik geschrokken.

‘Nee’, zei mijn therapeut droog. ‘En we moeten er alles aan doen om dat zo te houden.’

Ik had dus weinig behoefte aan een gesprek met een psychologe en ik deed mijn best om er onderuit te komen. Maar na een beleefde weigering en een minder beleefd ‘hoepel op mens’, belandde ik toch in haar spreekkamer. Ze wilde meteen alles over ons weten: hoe lang we al samen waren, waar we elkaar ontmoet hadden, hoeveel kinderen we hadden, of we vaak ruzie maakten en zelfs hoe vaak we het met elkaar deden. Ik gaf keurig antwoord op alle vragen en toen ik uitverteld was, begon zij op te sommen wat er allemaal met Ben kon gebeuren: somberheid, stemmingswisselingen, wantrouwen en misschien depressies. Er bestond zelfs een kans dat zijn hele karakter zou veranderen.

‘Goh, ik probeer al bijna twintig jaar om zijn karakter te veranderen’, grapte ik.

‘Dat soort grappen kunt u voorlopig ook beter achterwege laten’, zei de psychologe bestraffend.

‘Zo gaan wij nou eenmaal met elkaar om. We zijn altijd erg direct tegen elkaar. Zelfs als één van ons vreemd zou gaan, dan zou die dat gewoon aan de ander vertellen.’

‘Ook dat zou ik voorlopig even niet doen.’

‘Wat? Vreemd gaan of opbiechten dat ik vreemd ben gegaan?’

‘Het eerste laat ik aan uzelf over, maar het tweede zou ik zeker laten.’

Ik was de wijze woorden van de psychologe alweer vergeten toen ik haar kantoor uitliep. Het ene oor in het andere uit leek me het beste wat ik met haar geklets kon doen. Maar zo makkelijk kwam ik niet van haar af. Een paar dagen later werd ik weer op haar kantoor uitgenodigd, ontboden eigenlijk. De psychologe vertelde dat ze een goed gesprek met Ben gehad had. Ik was meteen zwaar gepikeerd. Zelf had ik nog nauwelijks met Ben kunnen praten sinds hij weer bij kennis was en ik kon er slecht tegen dat zij me voor was geweest.

‘Uw man is nou niet bepaald een charmeur hè’, zei de psychologe.

Ik keek haar niet begrijpend aan. Ben kan op zijn manier juist ontzettend charmant zijn. Alleen had de psychologe die manier waarschijnlijk niet helemaal goed begrepen.

‘Hij heeft bepaalde dingen tegen me gezegd, die me aan het denken hebben gezegd. Daarom wil ik u iets vragen.’

Ze leunde voorover over haar bureau en keek me aan. Ik probeerde haar blik zoveel mogelijk te ontwijken. Het was wel duidelijk dat ik het niet leuk zou gaan vinden wat ze me ging vragen. Met al mijn stekels recht overeind wachtte ik af. Ze pakte een pen van het bureau, waarschijnlijk wilde ze de spanning nog wat verder opbouwen.

‘Slaat hij u wel eens?’, vroeg ze.

Ze keek me triomfantelijk aan, alsof ze me een groot geheim had ontfutseld. En dat was natuurlijk ook zo. Mijn gezicht kleurde rood tot ver achter mijn oren. Daardoor was de vraag natuurlijk meteen met ‘ja’ beantwoord.

‘Ik ben nu wel heel benieuwd waar u dat idee vandaan haalt’, zei ik zo luchtig mogelijk. ‘Wat heeft Ben in godsnaam tegen u gezegd?’

‘Hij zei dat hij me een ontzettend pak slaag had gegeven, als hij mijn man was geweest.’

In gedachten vervloekte ik Ben. Hoe haalde hij het in zijn hoofd om zomaar dit soort dingen te roepen. Misschien nam de psychologe het wel niet zo nauw met haar beroepsgeheim als ze een goede roddel over een collega kon vertellen. Ik zag de geruchten al voor me, die de rond zouden gaan in het ziekenhuis. ‘Dokter Ben geeft zijn vrouw billenkoek.’

Dat wilde ik koste wat het kost voorkomen.

‘En op basis van zo’n uitspraak laat u mij hier komen?’, vroeg ik. Ik probeerde zo verontwaardigd mogelijk te klinken.

‘Misschien heeft u Ben wel verkeerd verstaan. En ook al heeft hij het wel gezegd, dan bedoelde hij er natuurlijk niets mee. Ik had verwacht dat een ervaren psycholoog als u dit soort dingen beter in zou kunnen schatten.’

Ik hoopte vurig dat de psychologe mijn spelletje blufpoker niet zou doorzien, maar ik betwijfelde of het zou gaan lukken. Een pokerface had ik in elk geval niet. Mijn gezicht voelde nog steeds aan alsof het gloeide. De psychologe zei niets meer. Ze keek me aan en probeerde me te peilen.

‘Ik geloof u niet’, zei ze tenslotte. ‘Er is iets aan de hand dat u mij niet wilt vertellen. Dat hoeft ook niet, maar ik wil u toch nog één ding vragen. Denkt u goed na over het antwoord.’

Ze keek me weer aan.

Heeft u hulp nodig?’

‘Nee’, zei ik meteen. Ik klonk als een kind van drie dat niet naar bed wil.

‘Oké, dan laten we het hierbij. Bedankt voor uw komst.’

Ik stond op. Heftig gefrustreerd verliet ik de spreekkamer van de psychologe. Ik had het gevaar weten af te wenden, maar verder had ik mijn strijd met de psychologe kansloos verloren.

Met twee treden tegelijk stormde ik de trap op naar de verdieping waar Ben lag. Ik had even geen geduld om op de lift te wachten. Ben lag alleen op een kamer. Hij lag niet meer op de intensive care, maar hij zat nog wel met draden en slangen vast aan allerlei apparaten. Toch zag het er allemaal alweer een stuk normaler uit, veel minder eng dan op de intensive care in elk geval. Ben herkende me meteen en leek erg blij om me te zien. Hij probeerde iets tegen me te zeggen, maar ik kon er niets van verstaan. Hoe de psychologe erin geslaagd was om een heel gesprek met hem te voeren begreep ik absoluut niet.

‘Heb je een leuk gesprek met de psychologe gehad?’, vroeg ik cynisch.

Ik deed mijn uiterste best om Ben zijn antwoord te verstaan.

‘Dat mens moet me met rust laten’, kon ik er met veel moeite uit opmaken.

‘Ik denk anders ook niet dat ze nog snel langs zal komen voor een babbeltje. Wat heb je wel niet allemaal tegen haar gezegd?’

Ben probeerde me antwoord te geven. Hij begon zijn zin minstens drie keer opnieuw, omdat hij een bepaald woord niet kon vinden. Het deed pijn om Ben zo te zien. Ik wist ook niet wat ik moest doen: Ben zelf uit laten praten of hem de woorden die hij vergeten was voorzeggen. Als de psychologe me dat nou eens verteld had.

‘Gewoon dat ze een goed pak slaag verdiende’, zei Ben uiteindelijk.

‘Ik vind het helemaal niet zo gewoon om zoiets tegen iemand te zeggen’, mopperde ik. ‘En zeker niet tegen een psycholoog.’

‘Nee, voor je het weet sluiten ze je op. Daar weet jij natuurlijk alles van.’

Die zin kwam er ineens heel helder en duidelijk uit (of ik begon aan Ben zijn ‘accent’ te wennen). De aanval was zo onverwacht en kwam zo hard aan dat ik er geen enkel verweer tegen had. Ik vocht zonder succes tegen de tranen. Ben zag het en begon ineens ook te snotteren. Tot dat moment had ik Ben nog bijna nooit zien huilen, alleen bij de geboorte van onze kinderen had hij van ontroering een paar tranen gelaten. Nu zat hij vanwege een kleinigheidje ineens heel hard te huilen. Ik vergat mijn eigen verdriet even en probeerde Ben te troosten, maar dat lukte nauwelijks. Ben bleef zo onbedaarlijk huilen dat ik me ernstig zorgen begon te maken. Ik wilde een dokter gaan waarschuwen, maar Ben gaf aan dat ik bij hem moest blijven.

‘Sorry’, snikte hij. ‘Kleintje geen pijn doen.’

Dat zinnetje bleef hij maar herhalen.

‘Kleintje geen pijn doen.’

Het duurde weer even voordat ik het verstaan had en begrepen had dat Ben me ineens weer ‘kleintje’ noemde, een troetelnaampje dat hij me in het begin van onze relatie had gegeven en dat hij al jaren niet meer gebruikt had.

*

Die avond nam ik Patrick en Sanne voor het eerst mee naar het ziekenhuis. Het was natuurlijk hoog tijd dat ze hun vader weer te zien kregen. Ik had het bovendien beloofd. Maar als ik heel eerlijk ben gebruikte ik de kinderen ook als een soort buffer. Ik hoopte dat Ben een aanval zoals ik die middag had ondergaan achterwege zou laten als de kinderen erbij waren.

Onderweg in de auto probeerde ik Sanne en Patrick nog eens uit te leggen wat er met hun papa aan de hand was, dat hij niet zo goed kon praten, dat hij misschien wel gekke dingen zou gaan zeggen of zomaar ineens zou gaan huilen.

‘Ik vind het raar als mannen huilen’, zei Patrick.

‘Jij huilt toch ook wel eens’, zei ik.

‘Ja, maar ik ben nog maar klein. Papa is een grote man.’

‘Grote mannen kunnen toch ook verdrietig zijn, ik vind daar niets geks aan.’, zei Sanne verontwaardigd.

‘Toch vind ik het stom’, zei Patrick beslist.

‘Dan vind ik jou ook stom’, gilde Sanne.

Sanne en Patrick gingen nog even door met bekvechten, zoals ze dat eigenlijk altijd doen. Ze bleven  daarmee doorgaan totdat we voor de deur van Ben zijn kamer stonden. Ik begon me al af te vragen of het wel slim was om ze allebei mee te nemen. Maar toen de deur open ging waren ze ineens rustig, alsof ze aanvoelden dat dat zo hoorde. Timide stonden ze naast het bed van hun vader. Hij kreeg van allebei een onhandige knuffel. Sanne gaf hem ook nog een aarzelende kus op zijn wang. Ze bleef nog een beetje op afstand, maar Patrick had zijn schroom snel overwonnen. Voordat ik hem tegen had kunnen houden zat hij al op de rand van Ben zijn bed. Patrick luisterde even naar Ben zijn stem. Het leek alsof Patrick iets herkende. Hij begon tegen Ben te praten, zoals hij ook tegen Timmy praatte. Ik kreeg er kromme tenen van en ik was bang dat het Ben ook irriteerde, maar dat bleek niet zo te zijn. Op één of andere manier lukte het Patrick geweldig om met Ben te communiceren en ook voor Ben leek het heel makkelijk te gaan. Ik keek er stomverbaasd naar.

Sanne stond een beetje verloren in een hoekje van de kamer, alsof ze was vergeten. Ik duwde haar voorzichtig richting Ben zijn bed en gebaarde dat ze naast Patrick moest gaan zitten. Ben glimlachte toen hij haar in de gaten kreeg.

‘Ziet mooi uit’, zei Ben tegen Sanne.

Sanne lachte verlegen.

‘Gaat school?’, wilde Ben weten.

‘Goed’, zei Sanne snel.

‘Cijfers?’, vroeg Ben.

Sanne keek me geschrokken aan. Haar schoolprestaties waren een pijnlijk onderwerp, want het ging helemaal niet goed op school. Sanne had ook vast niet verwacht dat het gesprek meteen die kant op zou gaan. Ze stond er een beetje aangeslagen bij. Ik vond het wel sneu voor Sanne, maar ik was ook blij dat Ben weer belangstelling toonde voor de dagelijkse dingen.

‘Niet goed’, bekende Sanne. Ze keek naar mij in plaats van naar Ben, alsof ze bij mij steun dacht te vinden. Het leek bijna alsof we weer met zijn drieën thuis aan de keukentafel zaten. Ben in de aanval, Sanne in de verdediging en ik er tussenin als bemiddelaar. Ik begreep wel dat Sanne het moeilijk had: de nieuwe, grote school waar ze moeilijk aan kon wennen, haar woordblindheid waar ze veel last van had, de puberteit die toesloeg. Een paar maanden eerder was ze voor het eerst ongesteld geworden. Het leek mij niet vreemd dat ze zich niet kon concentreren. Met een beetje hulp, een beetje bijles en veel geduld kon het allemaal goed komen. Maar misschien was het allemaal ook wel te moeilijk voor haar en konden we beter op zoek gaan naar een andere school. Ben vond dat allemaal onzin. Sanne moest gewoon beter haar best doen, dan kon ze het allemaal makkelijk aan. En ik aarzelde. Ik wilde Sanne niet onder druk zetten, maar misschien was een beetje meer druk wel helemaal niet zo slecht.

‘Cijfers?’, herhaalde Ben bijna onverstaanbaar.

Sanne deed alsof ze Ben niet verstond. Ze gaf geen antwoord, maar begon over iets anders.

Ben raakte geïrriteerd. Hij keek Sanne aan en schudde zijn hoofd.

Met heel veel moeite formuleerde hij een volledige zin: ‘Welke cijfers heb je gehaald?’

Sanne zuchtte diep en noemde een aantal onvoldoendes op, die ze de afgelopen week had gehaald.

Ik zag dat Ben nu echt boos werd.

‘Kom hier’, zei hij. ‘Dan zal ik je billen eens flink opwarmen.’ De woorden kwamen er niet helemaal zo uit, maar het wat duidelijk genoeg wat Ben bedoelde. Het ook was volkomen duidelijk dat het een loos dreigement was, dat Ben in zijn toestand onmogelijk uit zou kunnen voeren. Toch deinsde Sanne geschrokken achteruit. De tranen stonden in haar ogen.

Ik nam Sanne even mee de gang op, zogenaamd om wat drinken te halen. We gingen even in een stille wachtkamer zitten. Ik gaf Sanne een zakdoekje om haar tranen te drogen. Ze keek me vreselijk dankbaar aan, alsof ik haar had helpen ontsnappen, maar dat was nou ook weer niet mijn bedoeling.

‘Misschien heeft papa wel een klein beetje gelijk’, probeerde ik voorzichtig.

Sanne vloog overeind. Ze keek me aan alsof ik me ineens tegen haar had gekeerd.

‘Je gaat me niet slaan’, gilde ze. ‘Als je dat doet, loop ik weg.’

‘Doe niet zo dramatisch’, zei ik spottend. ‘Denk je nou echt dat ik je hier, midden tussen de mensen, over de knie ga leggen? Er wordt hier niemand geslagen en er gaat hier ook niemand weglopen.’

‘Maar papa zei toch…’, snifte Sanne.

‘Papa bedoelde dat je nog wel een beetje beter je best kunt doen. En ik denk dat dat misschien ook wel zo is. Ik geloof wel dat jij je best doet, maar misschien kan het toch nog wel een beetje beter. Of misschien moet je nog wat meer hulp hebben. Daar gaan we eens rustig over praten met je mentor, maar niet nu. Nu gaan we wat te drinken voor ons halen.’

‘Maar mama…’, protesteerde Sanne.

‘Wil je Cola of Seven up?’, vroeg ik plagerig. Sanne lustte geen van beide.

*

De volgende dag was het alweer een week geleden. Ik had die hele week nauwelijks geslapen, alleen maar liggen draaien in mijn bed, maar toch had ik nog genoeg energie over om me de hele dag druk en rusteloos te voelen. Het lukte me niet om rustig te gaan zitten, tv te kijken, een boek te lezen, steeds had ik het gevoel dat ik iets moest doen. Ik was dan ook bijna opgelucht toen ik weer aan het werk kon. Mandy had me geadviseerd om me voorlopig ziek te melden en dat had ik serieus overwogen, maar uiteindelijk toch niet gedaan. Ik vond dat ik dat niet kon maken, de kinderen moesten ondanks alles ook gewoon naar school en er begon die dag een nieuwe stagiair, die ik toch moeilijk aan zijn lot kon overlaten. Bovendien werkte ik maar twee dagen per week, dus dat moest ik toch wel vol kunnen houden.

Ik gaf lichamelijke opvoeding op een school die bijna honderd kilometer verder lag, ruim een uur reizen met de trein. Om zes uur stond ik naast mijn bed, ik had weer nauwelijks geslapen. De kinderen sliepen nog. Mandy zou verder voor ze zorgen, zoals Ben dat normaal altijd deed. Ik ging zonder ontbijt de deur uit en was net op tijd op het station. De trein vertrok twee minuten te laat, om één minuut over zeven.

Ik maakte deze reis alweer ruim vier jaar, twee keer per week. En hoewel het niet erg praktisch was, vond ik de grote afstand eigenlijk wel prettig. Mijn privé-leven was daardoor keurig afgeschermd voor mijn collega’s en leerlingen. Ben en de kinderen hadden ze nog nooit ontmoet. Werk en thuis waren twee verschillende  werelden, die eigenlijk nooit samenkwamen. Op school was ik alleen maar Anne en niet Anne de vrouw van Ben of de moeder van Sanne, Patrick en Timmy. En dat was af en toe best prettig.

Ik kwam even na achten aan op school. Het was nog rustig in de gangen. In de lerarenkamer zaten al een paar collega’s koffie te drinken. Uit de manier waarop ze me aankeken kon ik opmaken dat ze wisten wat er met Ben gebeurd was. Ze vroegen beleefd hoe het nou ging, maar uit hun houding bleek weinig echte belangstelling. Ik zei voor de vorm dat het wel redelijk goed ging, maar dat ik er verder liever niet over wilde praten. Onder het mom van ‘ik moet nog wat voorbereiden’ liep ik meteen door naar mijn lokaal.

Als puber had ik regelmatig ruzie met de meeste van mijn leraren. Ik werd ook regelmatig ‘uit de les verwijderd’, zoals dat heette. Dan moest ik mij melden bij de conrector, die hoofdschuddend mijn moeder belde. Dat telefoontje leidde weer tot een goed ‘gesprek’ met mijn moeder, waar ik meestal een stel pijnlijke billen aan overhield. Ik had toen niet kunnen bedenken dat ik later zelf lerares zou worden. Eigenlijk voelde ik me ook niet echt een lerares. Mijn vak was immers een vak zonder schoolbord, huiswerk of proefwerken. Lekker bewegen, meer hoefden de leerlingen bij mij niet te doen.

Alwin, zo heette mijn stagair, was meteen al te laat. We hadden afgesproken dat hij ruim voor de eerste les aanwezig zou zijn, zodat we samen de voorbereiding konden doen, maar hij kwam pas vijf minuten van tevoren binnen. Ik sprak Alwin geërgerd toe, maar hij kwam meteen met een excuus: zijn fiets was van het station gestolen en daardoor had hij zijn trein gemist. Ik twijfelde of ik hem wel moest geloven.

De eerste leerlingen kwamen binnen, druk als altijd. Maar toen ze mij zagen werden ze stil. De meeste keken me alleen maar zwijgend aan, een paar probeerden op een onhandige manier iets aardigs tegen me te zeggen. Op school wist dus ook iedereen, inclusief alle leerlingen, wat er aan de hand was. En ze wilden natuurlijk allemaal meeleven. Ik werd acuut moedeloos van die gedachte. De blikken en vragen van een paar collega’s kon ik nog wel aan, maar van al mijn leerlingen… Ik moest er niet aan denken. De neiging om naar huis te gaan en voorlopig niet meer terug te komen was sterk. Maar dan kon ik net zo goed de hele dag naast Ben in het ziekenhuis blijven zitten. En dat zou ook niet lang goed gaan.

Ik wachtte totdat de klas compleet was, toen vroeg ik om stilte. Iedereen staarde me aan, ik denk niet dat deze klas ooit eerder zo stil was geweest. Ik vertelde in twee woorden wat er thuis aan de hand was en in iets meer woorden wat ik de komende tijd wel en vooral niet wilde aan belangstelling en medeleven. Het was duidelijk dat de meeste leerlingen iets heel anders verwacht hadden. Ze vonden me vast kil en ondankbaar, maar dat kon me geen fluit schelen. Ik wilde alles zo normaal mogelijk. Daarom begonnen we ook gewoon met de les, zoals we dat altijd deden: met een warming-up op muziek. Ik koos voor James Brown. Niet voor ‘I feel good’, want dat leek me toch wat overdreven, maar wel voor een lekker snel en energiek nummer.

Na de warming-up stond er paardspringen op het programma. Voor mij als voormalig regionaal turnkampioene een makkie, dat ik op routine kon afwerken. Ik deed de oefening een aantal keren voor. Stiekem genoot ik van de bewonderende blikken als ik sierlijk over het paard heen zweefde.

Na een aantal keren proberen kregen de meeste leerlingen het ook wel voor elkaar om over het paard heen te komen, maar dat ging nog met de elegantie van een aangeschoten eend. Ik moest me vaak inhouden om niet in lachen uit te barsten, maar ondertussen lette ik wel goed op. Er waren veel dingen die ik in de gaten moest houden: dat onhandige leerlingen niet al te ongelukkig terecht kwamen, dat iedere leerling even vaak aan de beurt kwam en dat er in de rij wachtende leerlingen geen ongewenste intimiteiten plaatsvonden (ook geen gewenste trouwens, dat deden ze maar ergens anders). In je ééntje is dat normaal gesproken al best veel, maar nu leek het zelfs iets te veel voor me. Gelukkig was Alwin er om me te assisteren en gelukkig deed hij dat heel goed. Hij had maar weinig woorden nodig om te begrijpen wat hij moest doen.

Tijdens de kleine pauze had ik eindelijk even de tijd om wat aandacht aan Alwin te besteden. Ik kende hem nog maar nauwelijks. Een collega van me had de gesprekken met hem gevoerd en ik had hem nog maar één keer een handje gegeven en vijf minuten gesproken.

‘Lullig van je man’, was het eerste wat hij zei.

Ik vond ‘lullig’ nogal zwak uitgedrukt, maar zag dat Alwin het goed bedoelde, dus glimlachte ik vriendelijk. Maar daarna ging ik meteen over op een ander onderwerp. Ik wilde het niet over mezelf hebben. Het ging me er vooral om wat meer over Alwin te weten te komen, zodat ik snel kon inschatten wat ik aan hem had.

‘Waarom wil je gymleraar worden?’, vroeg ik.

‘Weet niet, omdat ik sport leuk vind. En omdat ik van mijn broer goede dingen over de opleiding heb gehoord.’, zei Alwin.

‘Wat voor goede dingen dan?’

‘Nou’, Alwin glimlachte ondeugend. ‘Dat er veel lekkere meiden op de opleiding zitten bijvoorbeeld. En dat er nogal eens wat gebeurd in de kleedkamers na de les.’

‘Maar dat is toch niet de voornaamste reden om voor dit vak te kiezen, mag ik hopen?’, vroeg ik lichtelijk geschokt.

‘Ik vind het anders erg belangrijk om regelmatig een stevige wip te kunnen maken en daar krijg ik bij ons op school meer dan voldoende gelegenheid toe. De meeste meiden ken ik niet alleen van gezicht, als je begrijpt wat ik bedoel.’

Dat begreep ik natuurlijk maar al te goed. Ik ben wel blond, maar niet naïef en in de tijd dat ik op dezelfde opleiding zat, deed ik buiten de lessen ook aan hele andere vormen van lichamelijke oefening met mijn medestudenten. Met gêne dacht ik terug aan die keer dat ik me gelijktijdig door twee medestudenten had laten nemen en later hoorde dat de jongens dit standje onderling ‘Kippetje aan het spit’ noemden.

‘Vind je het heel erg om het hier verder niet over te hebben. Ik weet dat seks in de ringen heel spannend kan zijn, maar tussen ons vind ik het niet echt een gepast gespreksonderwerp.’, zei ik.

Ik begon een beetje boos te worden. Wat was dit voor mafkees.

‘Seks in de ringen!’, riep hij enthousiast. ‘Daar had ik nog nooit aan gedacht. Bedankt voor de tip, man.’

‘Dat was geen tip, idioot!’, schreeuwde ik. ‘Ik stel je een paar vragen om een indruk van je te krijgen en binnen de kortste keren heb je het over seks. Ik moet eerlijk zeggen dat de indruk die je daarmee achterlaat niet al te best is. Er lopen hier allemaal strakke, jonge meiden van zestien rond en ik begin me serieus af te vragen of die bij jou wel veilig zijn.’

Alwin keek me geschrokken aan. Ineens leek hij te beseffen dat hij het niet tegen zijn kroegmaten, maar tegen zijn stagebegeleider had, die ook nog eens een vrouw en twee keer zo oud als hijzelf was.

‘Ik zou nooit iets doen met een meisje van zestien hoor’, mompelde hij. ‘Mijn kleine zusje is net zestien en op die leeftijd horen meisjes nog helemaal niet aan seks te denken.’

Hij leek het echt te menen, maar ik wist niet wat ik hoorde. Hoe kon iemand die aan de ene kant zo open en uitgesproken is over seks, aan de andere kant zo naïef zijn om te geloven dat meisjes van zestien nog volmaakt onschuldig zijn. Ik liet hem desondanks maar in de waan.

‘Dat is mooi’, zei ik. ‘Maar ik wil je toch waarschuwen en die waarschuwing geldt ook voor de meisjes van zeventien en achttien plus die hier rondlopen. Als ik er achter kom dat je ook maar iets met één van hen doet in de tijd dat je hier stage loopt, dan zorg ik er persoonlijk voor dat je gecastreerd wordt.’

Ik koos bewust harde bewoordingen, omdat ik verwachtte dat hij die taal wel zou verstaan en mijn woorden leken inderdaad over te komen.

De volgende lessen verliepen op ongeveer dezelfde manier als de eersten. Ik probeerde Alwin wat extra in de gaten te houden, maar hij leek zich keurig te gedragen. Een ouderejaars klas was in een wat vervelende bui, maar daar liet ik me niet door van de wijs brengen. Ik wist dat ik werd uitgeprobeerd. Wel merkte ik dat mijn geduld snel minder werd. Na twee keer waarschuwen stuurde ik de ergste raddraaier naar de kleedkamer. Hij kon zich gaan melden bij de directeur.

Dat deed hij echter niet. In plaats daarvan meldde hij zich in de middagpauze weer bij mij. Hij mompelde een slap excuus en vroeg of we er niet nog eens over konden praten. Ik wilde helemaal niet met hem praten, wat mij betreft waren we uitgepraat. Toch lukte het me niet goed om hem weg te krijgen, terwijl ik wel wilde dat hij zo snel mogelijk weg ging. Voor mijn gevoel had ik nog een heleboel te doen: ik moest naar huis bellen, de mentor van Sanne bellen om een afspraak te maken, een boodschap doen in de stad en om half één begon de volgende les. Ik luisterde half naar wat mijn leerling te zeggen had. Ondertussen rommelde ik in mijn tas op zoek naar mijn telefoon. Ik zag dat ik een heleboel oproepen had gemist, allemaal van hetzelfde, voor mijn onbekende, nummer.

‘Het ziekenhuis’, dacht ik meteen.

Ik wilde mijn voicemail af gaan luisteren, gaan bellen, maar toen zag ik dat mijn leerling nog steeds voor me stond.

‘Ik wil dat je nu weggaat’, zei ik zo beheerst mogelijk.

‘Eerst praten’, zei hij rustig.

‘Ik wil dat je weggaat’, herhaalde ik met trillende onderlip.

Hij ging niet weg, maar zette juist een stap naar voren. Precies op dat moment kwam Alwin, die even een broodje was gaan halen, weer binnen. Hij legde zijn hand op de schouder van de jongen.

‘Volgens mij is het tijd om te gaan’, zei Alwin kalm.

‘En volgens mij wordt jou helemaal niets gevraagd’, zie de leerling agressief.

‘Nee, maar ik vraag jou nou om weg te gaan en dat vraag ik niet nog een keer’, zei Alwin dreigend.

De leerling draaide zich om en maakte aanstalten om flink uit te halen, maar Alwin was hem voor. Hij pakte de linkerarm van de jongen stevig vast en draaide die met groot gemak op zijn rug. In een oogwenk had Alwin de jongen naar buiten begeleid.

Ik keek vol verbazing naar Alwin. Ineens was hij geen gefrustreerde, overjarige puber meer, maar iemand die de situatie onder controle had. Hij pakte me voorzichtig bij mijn bovenarmen en drukte me zachtjes tegen zich aan. Ik maakte even dankbaar gebruik van het gebaar en huilde tegen zijn sterke schouder. Al snel bedaarde ik weer een beetje. Meteen realiseerde ik me dat het plaatje niet klopte: ik in de armen van mijn stagiair. Voorzichtig maakte ik me los uit zijn omhelzing. Ik draaide me om, in verlegenheid gebracht door de situatie. Alwin glimlachte.

‘Gaat het weer een beetje?’, vroeg hij.

Ik knikte, maar het ging natuurlijk helemaal niet. Het was maar een omhelzing, maar het voelde haast alsof ik we net seks gehad hadden. Totaal ongeoorloofd natuurlijk.

Alwin liep naar de deur.

‘Ik kan ook heel lief zijn hoor’, zei hij over zijn schouder.

*

Ik dacht weer aan mijn telefoon, meteen luisterde ik de voicemail af. Er waren geen berichten. Ik probeerde het nummer terug te bellen, maar er nam niemand op. Mandy wist ook nergens van. Het ziekenhuis had niet gebeld en verder was alles ook in orde. Ik belde tenslotte het ziekenhuis en vroeg of ik Ben kon spreken. Het duurde even voordat ze door hadden dat ik niet dokter Ben, maar patiënt Ben wilde spreken, maar uiteindelijk kreeg ik hem aan de lijn.

‘Was je vanmorgen?’, vroeg hij meteen.

‘Aan het werk’, zei ik. ‘Heb jij me gebeld?’

Stilte.

‘Waarom?’, vroeg Ben.

Ik begreep de vraag niet. Natuurlijk moest ik werken, dat moest ik elke maandag en woensdag en dat wist Ben ook wel.

‘Waarom heb je mij gebeld?’, vroeg ik opnieuw.

‘Ik wilde je spreken.’

‘Waarover dan?’, vroeg ik. ‘Je weet toch dat ik moet werken?’

‘Nee, wist niet’, zei Ben. ’Was je kwijt.’

Ik hoorde door de telefoon dat hij begon te snikken. Natuurlijk wilde ik meteen naar hem toe, maar dat kon even niet. Er stond alweer bijna een klas op me te wachten. Ik beloofde dat ik vanuit mijn werk meteen naar Ben toe zou komen. Daar leek hij weer wat kalmer van te worden.

‘Gaat het wel tot die tijd?’, vroeg ik bezorgd.

‘Gaat uitstekend’, zei Ben cynisch. Hij legde de telefoon neer.

Het telefoontje bleef de rest van de middag door mijn hoofd spoken, maar desondanks kon ik me nog vrij aardig op de lessen concentreren. Onderweg terug in de trein kreeg ik een onrustig gevoel over me. Ik had geen idee wat ik moest verwachten.

Ben zat bijna rechtop in zijn bed, met een paar kussens in zijn rug. Alle slangen en apparaten waren inmiddels verdwenen, maar nog steeds zag Ben er heel anders uit dan anders. Hij leek ongedurig en rusteloos, terwijl hij anders altijd de rust zelve was.

‘Verveel me’, klaagde Ben.

Daar begreep ik niets van. Ben was toch de hele dag aan het revalideren? Hoe kon hij zich dan vervelen? En als hij zich dan al verveelde, dan was dat toch nog geen reden om mij op mijn werk lastig te vallen met telefoontjes. Ik probeerde niet te laten merken dat ik boos werd en ik vroeg langs mijn neus weg wat Ben dan de hele dag deed. Dat vroeg Ben zich ook af. Van revalidatie was volgens hem weinig sprake: de logopedist en vooral de fysiotherapeut moesten het ontgelden.

Ik reageerde een beetje plagerig.

‘Ik begrijp wel dat je liever een jonge blondine met een lekker kontje hebt, maar ik vind toch dat ze het hier behoorlijk goed doen. Je praat tenminste alweer heel aardig.’

Ben raakte geïrriteerd. Hij pakte een soort veer, waar je in moest knijpen. Blijkbaar gebruikte Ben die om zijn armspieren te trainen. Hij kneep uit alle macht, maar het lukte hem niet om de veer in te drukken.

‘Proberen’, zei Ben tegen mij en hij gaf me de veer.

Ik probeerde de veer voorzichtig in te drukken. Het ging heel licht, maar ik deed alsof het me heel veel moeite kostte. Ik gaf mijn poging op voordat ik de veer helemaal had ingedrukt.

‘Zwaar’, zuchtte ik.

Ben keek me wantrouwend aan.

‘Echt proberen’, zei hij.

Ik herhaalde mijn toneelstukje nog een keer. Ben bleef me achterdochtig aankijken, maar nam er voorlopig genoegen mee. Ik hoopte dat Ben het verder zou laten rusten. Ondertussen maakte ik me wel zorgen over het gebrek aan kracht in Ben zijn armen, maar daar zei ik niets over.

‘Wat nou als hij blijft, zoals hij nu is?’, schoot er door me heen. ‘Wat moet ik dan doen?’

Ik wist het niet. Het leek me wel erg veel: drie kind om voor te zorgen en dan ook nog eens man die veel zorg nodig heeft. En ik wilde ook nog allerlei dingen doen: werken, reizen, wandelen langs het strand, tango dansen, noem maar op. Tegelijkertijd schaamde ik me voor mijn gedachten. ‘In voor en in tegenspoed’, was het toch. Daar had ik destijds volmondig ja tegen gezegd.

Een kwartiertje later kwam Mandy mij ophalen. Ze had Patrick en Timmy meegenomen. Sanne was thuisgebleven, omdat ze moest leren voor een proefwerk. Patrick klom op de rand van Ben zijn bed. Zodra hij zat gaf Ben de veer aan hem.

‘Knijp eens’, zij Ben.

Patrick kneep de veer met groot gemak helemaal in.

‘Makkie’, zei hij trots.

Ben keek me strak aan. Hij speelde wat met Patrick en Timmy, maar tegelijkertijd bleef hij mijn blik steeds opzoeken. Ik kon nauwelijks terug kijken en ik voelde een knoop in mijn maag ontstaan. Ben glimlachte lichtjes, zijn ogen glinsterden een heel klein beetje. Het was voor het eerst dat ik weer iets van die typische twinkeling dacht te zien. Toen we naar huis wilden gaan en al afscheid hadden genomen, hield Ben me nog even tegen. Hij greep me met een slap handje bij mijn pols. Ik gebaarde naar Mandy dat ze maar vast met de kinderen naar buiten moest gaan. Nerveus keek ik hoe ze hun jassen aantrokken en de deur achter zich dichttrokken.

‘Mag niet liegen’, zei Ben.

‘Ik loog niet’, protesteerde ik. Dat was niet mijn bedoeling tenminste.’

‘Deed je wel’, zei Ben onverbiddelijk. ‘Dus heb je straf verdiend.’

‘Hoe had je dat voorgesteld?’, vroeg ik spottend.

‘Kan het helaas niet voor je doen. Zult het dus dit keer zelf moeten doen.’, antwoordde Ben.

Ik keek Ben verbijsterd aan.

‘Dat kan niet’, stamelde ik. ‘Dat kan ik niet.’

‘Kan wel.’, zei Ben. ‘Ik kan het natuurlijk beter, maar je kunt het zelf ook wel. Ik wil dat je het doet. Vanavond nog. Volgens mij heb je er dringend behoefte aan.’

‘Er is maar één ding waar ik behoefte aan heb’, zei ik nijdig. ‘En dat is dat jij zo snel mogelijk weer thuiskomt. Dan wil ik desnoods het pak slaag van mijn leven in ontvangst nemen, maar alleen als jij me dat geeft.’

Ben schudde zijn hoofd.

‘Duurt te lang’, zei hij.

‘Dan zorg je maar dat het wat sneller gaat’, beet ik Ben toe. Ik heb je nodig thuis en de kinderen ook.’

Ben ging onverstoorbaar verder.

‘Vanavond, lekker warm bad nemen. Daarna naakt op bed, twee kussens onder je buik. En dan de grote, lederen paddle.’

Ik kreeg buikpijn bij de gedachte alleen al, toch beloofde ik dat ik zou doen wat me werd opgedragen.

Onderweg naar huis had ik alweer spijt van die belofte. Ik probeerde het nog even uit mijn hoofd te zetten, maar dat lukte natuurlijk niet.

*

Tijdens het avondeten vroeg Patrick ineens waarom Ben niet gewoon naar huis kwam. Eerst begreep ik zijn vraag niet, de vraag irriteerde me zelfs een beetje. Ben lag toch in een bed, kon nauwelijks lopen en praatte moeilijk. Dan begreep Patrick toch ook wel dat er wat met Ben aan de hand was en dat hij eerst beter moest worden? Ik probeerde het Patrick zo geduldig mogelijk uit te leggen, maar hij begon al na een paar woorden heftig nee te schudden.

‘Dat bedoel ik helemaal niet’, zei hij nijdig. ‘Papa kan hier toch ook weer leren lopen en praten. Dat kan best hoor. Dan kunnen wij hem allemaal helpen en dan gaat het vast veel sneller.’

Ik wilde nog wat zeggen, Patrick vertellen waarom het niet kon wat hij wilde, maar zodra ik mijn mond open deed, keek hij me woedend aan.

‘Ik wil gewoon dat papa weer thuis komt!’, schreeuwde hij. ‘En als dat van jou niet mag, dan vind ik je heel stom en gemeen.’

Patrick gooide zijn bestek op de grond. Hij me recht aan, met de meest boze blik die hij maar kon verzinnen. Iedereen, inclusief ikzelf, staarde hem verbijsterd aan. Ik begreep totaal niet hoe ik het voor elkaar had gekregen, maar ineens was het allemaal mijn schuld wat er gebeurd was.

‘We zouden natuurlijk allemaal wel willen dat papa meteen weer thuiskomt….’, probeerde ik nog.

‘Mooi’, zei Patrick. ‘Dan gaan we papa nu halen.’

‘… maar dat kan echt niet’, ging ik zo onverstoorbaar mogelijk verder.

‘Het is natuurlijk heel lief van je dat je papa wilt helpen, maar in het ziekenhuis zijn mensen die dat veel beter kunnen dan wij. Als papa nog even in het ziekenhuis blijft, dan denk ik dat hij wel weer helemaal beter wordt (Geloofde ik dat wel echt? Ik hoopte in elk geval van harte dat ik overtuigend klonk). Als wij nu zelf voor papa gaan zorgen, dan ben ik bang dat hij niet meer helemaal beter wordt. En dat wil je toch ook niet?’

‘Ik wil alleen maar dat papa weer thuis komt’, herhaalde Patrick dwars. ‘Ik vind het hier helemaal niet leuk als papa er niet is.’

‘Ik ook niet leuk’, zei Timmy met een trillend stemmetje.

‘En ik ook niet’, zei Sanne meer voor de vorm.

Zo zaten we met zijn allen aan tafel te zuchten. Ik kon het ook even niet opbrengen om iets anders dan verdrietig te zijn en het voelde ook wel prettig: even samen treurig zijn.

De kinderen leken dat ‘samen treurig zijn’ wel erg letterlijk te nemen. Timmy en Patrick bleven de rest van de avond met sneue gezichtjes tegen mij aan hangen op de bank. Sanne droop af naar boven, ook met een lang gezicht. Het leek alsof ze alledrie de grens van hun incasseringsvermogen bereikt hadden. Rust of regelmaat kregen ze absoluut niet, dus bij gebrek daaraan eisten ze nu al mijn aandacht. En daar hadden ze ook recht op, vond ik.

Ik stopte Timmy in een warm bad met veel schuim, speelde met hem en las hem heel lang voor. Met kleine oogjes van de slaap vroeg hij steeds weer om nog een verhaaltje en telkens las ik hetzelfde verhaal nog een keer voor. Ik stopte hem lekker diep in, deed het licht uit, maar toen ik weg wilde gaan begon Timmy zo hard te huilen dat ik hem onmogelijk alleen kon laten. Ik twijfelde tussen oprecht verdriet en schandalig misbruik van de situatie (wie denkt dat zulke jonge kinderen daar nog niet toe in staat zijn: think again!), maar bij zo’n lief klein jongetje ben je toch vooral geneigd om in het goede te geloven. Ik ging naast Timmy op bed liggen en hield hem dicht tegen me aan.

‘Ik wil papa’, huilde hij met lange uithalen.

‘Morgen gaan we naar papa’, beloofde ik. ‘En overmorgen en de dag daarna, net zo vaak als je maar wilt. Dat vind papa ook leuk. En op een dag komt hij echt weer thuis en dan vieren we een heel groot feest.’

‘Met ballonnen?’, vroeg Timmy.

‘Als jij dat wilt.’

Dat wilde Timmy. En dat was best dapper van hem, want hij was eigenlijk heel erg bang voor ballonnen. Vooral voor knallende ballonnen.

Patrick was vooral ongedurig en humeurig. Hij wilde niets, maar hing wel voortdurend om me heen en liet duidelijk merken dat hij nog boos op me was. Ik liet hem even begaan, maar toen Timmy eindelijk sliep, was Patrick aan de beurt. Hij keek me streng aan, zodat ik goed zou begrijpen hoe boos hij was. Ik tilde Patrick op, hij stribbelde tegen, maar ik liet hem niet gaan. In plaatst daarvan zette ik hem op mijn schoot en ik drukte zijn gezicht zachtjes tegen mijn borst. Natuurlijk was hij veel te oud voor zoiets kinderachtigs, maar zijn lijfje ontspande en hij leek het stiekem toch wel fijn te vinden. Ik praatte zachtjes tegen Patrick en vroeg hem of hij me uit kon leggen waarom hij zo boos was. Dat kon Patrick prima. In voor een mannetje van zes hele volwassen bewoordingen vertelde hij mij dat hij het allemaal niet begreep wat er gebeurd was en dat hij daar bang van werd. Ik was onder de indruk, ik had een slim ventje op de wereld gezet, maar dat wist ik al langer.

Het werd een lang gesprek. Patrick wilde zoveel weten dat ik me afvroeg hoe vaak hij het woord ‘waarom’ nog zou herhalen en hoe ik hem zonder totale paniek te veroorzaken kon uitleggen dat ook volwassenen niet op alle vragen een antwoord weten. Met het simpele antwoord ‘dat weet ik ook niet’, bleek hij echter verrassend goed om te kunnen gaan.

Ik zat nog een tijdje alleen beneden en dacht aan het bad dat ik van Ben moest gaan nemen. Een bad nemen zou ik anders een heerlijk idee hebben gevonden, maar nu was het de eerste stap op weg naar iets wat ik helemaal niet wilde en daarom stelde ik het het liefst zo lang mogelijk uit. Ik praatte wat met Mandy, vertelde wat Timmy en Patrick allemaal gezegd en gedaan hadden.

‘En hoe is het met Sanne?’, vroeg Mandy. ‘Die is ook wel erg stilletjes de laatste paar dagen.’

Ik was Sanne helemaal vergeten, wist niet eens waar ze uithing. Ongetwijfeld was ze gewoon boven op haar kamer, maar als ze gewild had, had ze er tussenuit kunnen knijpen, zonder dat iemand het gemerkt had. Ik dacht aan de keren dat ik zelf via het balkon en het platte dak uit het ouderlijk huis was ontsnapt, vast van plan om nooit meer terug te komen.

Ik was ineens bang dat Sanne helemaal niet meer op haar kamer was. Dat ze door haar slaapkamerraam naar buiten was geklommen en verdwenen, met haar kleine rugzakje op haar rug. Ik vloog overeind en rende naar boven. Mandy vroeg nog wat ik ineens ging doen, maar ik gaf haar geen antwoord. 

Sanne zat natuurlijk gewoon op haar kamer achter haar bureau te studeren.

‘Wat ben jij aan het doen?’, vroeg ik.

Ik moet behoorlijk boos geklonken hebben, want Sanne keek me heel schuldbewust aan.

‘Ik zit gewoon te studeren’, piepte ze.

Ze keek daarbij zo triest en ongelukkig dat ik ervan schrok. Ik moest een andere toon tegen haar aanslaan. Geen idee welke toon, maar in elk geval een andere toon dan die van mijn vorige zin. Ik probeerde het zachtjes en streelde haar gelijktijdig over haar rug. Er kwam nauwelijks een reactie. Sanne vouwde haar benen op onder haar lichaam. Ze trok haar trui over zich heen, alsof ze het vreselijk koud had, terwijl het toch lekker warm was in haar knusse kamertje. Ze keek als een ziek vogeltje voor zich uit en ik dacht zelfs te zien dat ze een beetje rilde. Ik zag ineens het spookbeeld voor me van een broodmagere Sanne, die onder haar dikke trui een lijfje verborg dat alleen nog maar uit beenderen bestond. Weglopen, anorexia, het leek wel of alle dingen waar ik als moeder bang voor was even langskwamen om mij te plagen. Ik probeerde de opkomende paniek weg te drukken en pakte Sanne voorzichtig vast. Ze voelde zacht, rond en warm aan, precies zoals het hoorde. Sanne rolde zich nog wat verder op en kroop zo dicht mogelijk tegen me aan. Haar haren kriebelden onder mijn neus. Ze rook fris naar kamille.

Ik hoopte dat Sanne me uit zichzelf zou vertellen wat haar zo dwars zat, al kon ik dat ook wel raden. Zelf wilde ik er niet over beginnen, want ik was bang dat ik iets verkeerds zou zeggen wat Sanne vreselijk boos of verdrietig zou maken. Ze schoot toch al zo makkelijk uit haar slof en ik voelde me te moe voor zo’n drama. Al mijn talenten als begripvolle, geruststellende moeder waren al opgebruikt door Sanne haar broertjes. Het was natuurlijk niet eerlijk, Sanne had net zo goed recht op begrijpende en troostende woorden, maar ik had er even geen meer in de aanbieding. Daarom vond ik het eigenlijk ook wel goed: een beetje knuffelen met Sanne en verder niets zeggen.

Sanne verbrak de stilte als eerste. Eerst zuchtte ze een paar keer heel diep en dramatisch, waarschijnlijk in de hoop dat ik zou vragen wat er aan de hand was. Dat deed ik niet.

‘Mag ik je wat vertellen?’, vroeg ze toen voorzichtig.

Ik wilde bijna ‘sst’ zeggen, maar Sanne keek zo bedrukt dat ik begreep dat haar iets groots dwars zat.

‘Tuurlijk’, zei ik.

‘Je moet eerst beloven dat je niet boos wordt.’

Dat trucje kende ik al lang en ik was niet van plan om erin te trappen. 

‘Even geen spelletjes, Sanne’, zei ik. ‘Vertel maar gewoon wat er aan de hand is. Ik zal rustig je hele verhaal aanhoren en daarna zie ik wel of ik wel of niet boos moet worden. Je krijgt in elk geval niet voor je blote billen, zoals ik vroeger, en ik zal ook niet tegen je schreeuwen. Dus je hebt helemaal niet zoveel om bang voor te zijn.’

Ik bedoelde het niet kwaad, maar mijn woorden vielen helemaal verkeerd.

‘Je kunt me toch wel een beetje serieus behandelen’, zei Sanne kwaad. ‘Ik ben geen klein kind meer.’

‘Juist omdat je geen klein kind meer bent, zou je misschien kunnen begrijpen dat dit voor mij allemaal ook niet gemakkelijk is en dat mijn geduld wel eens een klein beetje opraakt’, zei ik.

‘Nou, als het je teveel moeite kost om naar me te luisteren, laat dan maar hoor. En flikker dan ook maar op.’

‘Pardon, zo praat je niet tegen mij.’

‘Ik roep wat ik wil! Ik ga me echt niet inhouden als ik kwaad ben, dat doe jij toch ook niet!’

‘Op dit moment houd ik me anders wel heel erg in, jongedame. Doe jij eens heel snel een beetje gewoon.’

‘Als jij niet weggaat, dan doe ik het wel.’

Sanne liep langs me heen.

‘Jij blijft hier!’, schreeuwde ik net iets te hard.

‘Dacht het niet’, zei Sanne rustig.

Ze liep langs me heen en sloeg mijn arm, waarmee ik haar probeerde tegen te houden, hard aan de kant. Mijn arm stootte hard tegen de rand van Sanne haar bureau. Het deed zo’n pijn dat de tranen in mijn ogen sprongen. Sanne zag het. Ze aarzelde even, leek toch een beetje geschrokken, maar draaide zich toen weer om en liep de kamer uit. De deur sloeg hard achter haar dicht.

Ik moest me enorm inhouden om niet achter Sanne aan te rennen. Het liefste wilde ik haar stevig vastgrijpen en eens goed door elkaar schudden, maar gelukkig zag ik ook wel in dat het daar allemaal niet beter van zou worden. Ik liet Sanne dus maar even met rust. Ik kon trouwens niet eens bij haar komen, want ze stond onder de douche en had de deur op slot gedraaid.

*

Ik liep naar beneden, met de tranen nog in mijn ogen. Mandy zag het natuurlijk meteen. Ze vroeg niet wat er aan de hand was, maar sloeg alleen haar armen om me heen. Daardoor was het alsof er iets knapte. Ik huilde heel lang en heel hard met mijn gezicht tegen haar borsten gedrukt. Mandy zei niets, ze streelde alleen een beetje door mijn haren. Het leek een hele tijd later toen ik eindelijk weer een beetje tot mezelf was gekomen. Ik voelde me leeg en moe. Uitgeput liet ik mezelf op de bank vallen.

‘Meid, dat kwam van diep’, zei Mandy.

‘Ik kan het niet uitleggen’, zuchtte ik. Het leek wel of er weer tranen op kwamen zetten.

‘Dat hoeft ook niet. Je mag zoveel praten als je wilt, maar je hoeft me niets uit te leggen.’

Ik keek Mandy aan en probeerde een beetje te glimlachen. Ik hoop dat ik dankbaar gekeken heb, want zo voelde ik me wel.

‘Kan ik nog iets voor je doen? Wil je nog iets drinken of wil je naar bed? Ik kan ook bij je komen liggen, dan slaap je misschien wat beter.’

Dat klonk niet onaantrekkelijk. Vroeger, toen we nog huisgenoten waren, sliepen we regelmatig in één bed en soms gebeurde er dan ook wel meer dan slapen alleen. Daar moest ik aan denken en het maakte me een beetje bang. In die tijd was het geen probleem dat we zo af en toe met elkaar vreeën, maar nu was dat toch heel anders. En er was nog iets dat ik moest doen, waar ik Mandy zeker niet bij kon gebruiken. Ik had er de afgelopen uren nauwelijks meer aan gedacht, maar het kwam nu weer bovendrijven in mijn gedachten. Ik wenste Mandy welterusten met een lange zoen op haar mond en ging naar boven.

Ik wilde eerst nog even met Sanne praten, het weer een klein beetje goedmaken voor het slapen gaan, maar Sanne sliep al. Of ze deed alsof.

Ik nam een heet bad en bleef zitten totdat het water bijna koud was. In mijn blootje liep ik naar de slaapkamer. Ik stapelde een paar kussens op elkaar, pakte de paddle uit de kast en legde die klaar op het bed. Het leer kraakte zachtjes.

Ik deed de slaapkamerdeur achter me op slot. Er was geen enkele reden meer voor verder uitstel. Het was eerder hoog tijd. Ik ging liggen, met de kussens onder mijn buik. Dat was voor mij wel een bekende positie, maar toch voelde het vreemd. Ik miste zijn sterke hand op mijn onderrug, die me stevig in de kussens drukte. Met het gevoel dat ik iets miste, verdween ook de vastbeslotenheid om mezelf eens flink aan te pakken. Een tijd lang bleef ik stil liggen, met de paddle in mijn linkerhand. Ik was op van de zenuwen en doodsbang voor de pijn.

Pijn als noodzakelijk kwaad is iets dat ik best kan verdragen, als die pijn wordt toegebracht door iemand die ik door en door vertrouw, maar mezelf pijn doen kan ik niet. Toen we voor het eerst zwanger probeerden te worden moest ik mezelf elke dag hormooninjecties geven. Ik heb uren klaar gezeten met de injectienaald in de aanslag, maar het lukte me niet, hoe graag ik ook een kind wilde. En dit pak slaag ging nog veel meer pijn doen dan een simpele injectie.

Met al mijn wilskracht lukte het me om de paddle op te tillen en naar achteren te brengen. Ik telde tot drie, bij drie zou ik de eerste klap meedogenloos hard op mijn achterwerk laten kletsen, maar het leek alsof al mijn spieren ineens blokkeerden. Er gebeurde niets, ook al had ik al lang tot drie geteld. En ook al was het me wel gelukt om de paddle richting mijn billen te krijgen, mijn hand trilde veel te erg om kracht te kunnen zetten. Voor mijn gevoel heb ik nog heel vaak tot drie geteld, maar steeds lukte het niet.

Ik weet niet meer hoe lang ik daar gelegen heb, maar het moet behoorlijk lang zijn geweest. Het was koud in de kamer en ik lag na een tijdje gewoon te bibberen. Tenslotte kreeg ik het zo koud dat ik de moed maar opgaf. Ik stond weer op, legde de paddle terug in de kast en liep naar de badkamer. Uit het medicijnkastje haalde ik twee slaaptabletten, terwijl je er eigenlijk maar één tegelijk mag nemen, en ik slikte ze allebei door. Ik ging in bed liggen en wachtte totdat de slaappillen begonnen te werken. Langzaam begon ik weg te glijden in een soort vage bewusteloosheid. Ik voelde me ontzettend alleen en diep ellendig.

Ik droomde dat ik samen met Mandy op ons bed lag. We praatten en knuffelden. Mijn handen streelden haar grote, ronde borsten. Ben zat naast ons bed met Sanne over zijn knie. Hij keek grimmig voor zich uit, alsof hij zich af wilde sluiten voor wat Mandy en ik aan het doen waren. Geconcentreerd gaf hij Sanne voor haar blote billen met een haarborstel. Sanne schreeuwde en riep om hulp, maar ik was veel te druk met Mandy om haar te horen.

‘Ik zal je billen eens goed opwarmen’, herhaalde Ben de hele tijd.

*

Ik werd wakker van een onduidelijk soort gedoe om me heen. Mijn ogen voelden zwaar en dik en ondanks dat ik heel diep geslapen had, was ik nog steeds ontzettend moe.

Sanne stond naast mijn bed. Ze deed haar best om haar meest vrolijke gezicht op te zetten. In haar handen had ze een dienblad met een ontbijtje, compleet met gebakken broodjes, thee, verse jus en een bloemetje in een vaasje. Sanne zette het voorzichtig naast me neer. Ik had helemaal geen zin in een ontbijt, mijn maag had nog last van de slaappillen, maar ik nam toch een broodje en een kopje thee. Sanne kwam naast me op bed zitten en begon ook aan een broodje te knabbelen. Ze durfde me niet goed aan te kijken, maar af en toe keek ze toch onder haar armen door. Ik glimlachte een beetje naar haar.

‘Het spijt me zo van gisteravond’, zei Sanne met een diepe zucht.

Ik glimlachte geruststellend.

‘Wat is het toch een lieverd’, dacht ik.

‘Zo erg was het nou ook weer niet’, zei ik. ‘Eigenlijk verdien je een goed pak voor je billen, maar ik heb beloofd dat ik dat niet zou doen, dus het is voor deze keer wel goed.’

‘Waarom hebben jij en papa het de laatste tijd steeds over billenkoek, terwijl jullie ons nog nooit geslagen hebben. Het lijkt wel of jullie daarop geilen of zo.’

Ik keek Sanne verbaasd en gegeneerd aan en ik realiseerde me dat ze gelijk had. We moesten beter opletten op wat we zeiden.

‘Wat doen we?’, vroeg ik. ‘Let een beetje op je woorden jongedame.’

‘Sorry’, zei Sanne zacht. Ze staarde weer naar haar vingers die met het dekbed speelden.

Ik moest nu echt lachen.

’Kijk niet zo benauwd, liefje. Het is al lang weer goed. Vertel me nou maar eens wat je gisteravond zo dwars zat.’

‘Moet dat echt?’

‘Het hoeft niet, maar ik denk wel dat het oplucht.’

‘Toen Patrick gisteravond zei dat hij wilde dat papa meteen weer thuiskomt, zei ik dat ik dat ook wilde. Maar dat was helemaal niet zo. Eigenlijk wil ik helemaal nog niet dat papa naar huis komt. En dat vind ik heel gemeen van mezelf.’

Dat vond ik eigenlijk ook wel. Ik was even stil en wist niet wat ik zeggen moest. De stilte maakte Sanne nog nerveuzer, ze keek me angstig aan en er rolden dikke tranen over haar wangen.

‘Waarom wil je dat dan niet?’, vroeg ik op zachte toon.

‘Ik wil papa zoals hij hoort te zijn. Niet een papa die in een bed ligt en rare dingen zegt. Ik ben gewoon een beetje bang voor hem.’

‘Dan ben ik het wel een beetje met je eens. Ik wil ook dat papa eerst beter wordt, voordat hij thuiskomt. Maar je hoeft echt niet bang te zijn voor papa. Hij zal je echt niets doen. Kom vanavond maar mee naar het ziekenhuis, dan kun je zien dat het alweer wat beter gaat.’

‘Moet dat?’, vroeg Sanne met tegenzin.

‘Ja, dat moet’, zei ik streng.

Sanne zuchtte diep. Het deed me pijn dat ze zo reageerde. Ik voelde me moedeloos en nog steeds heel erg moe. Het ontbijt mocht wel aan de kant, ik wilde weer slapen.

Sanne zag er eigenlijk ook heel erg moe uit. Door al haar gepieker was ze de afgelopen dagen waarschijnlijk ook weinig aan slaap toe gekomen.

‘Hoe lang heb jij al niet meer geslapen?’, vroeg ik.

‘Al heel lang.’

‘Ik ook niet. Zullen we vandaag proberen om wat slaap in te halen?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Nou, gewoon, hier in bed. Dan kruipen we lekker tegen elkaar aan, net als vroeger.’

‘Daar ben ik toch te groot voor.’

‘Het voordeel van jouw leeftijd is dat je zo af en toe ook nog gewoon een klein meisje mag zijn, daar zou ik maar van profiteren als ik jou was. Maar je mag natuurlijk ook gewoon naar school.’

‘Dat is chantage, mama.’

‘Helemaal niet, gewoon een trucje dat ik mag gebruiken, omdat ik je moeder ben.’

Sanne trok haar kamerjas uit en kroop naast me onder de dekens. Ze rolde zich op en schurkte met haar rug tegen me aan. Ik legde mijn armen beschermend om haar heen en binnen een paar minuten sliep ze. Het duurde niet lang voordat ik haar voorbeeld volgde.

Geef een antwoord