Keuzes (169)

Niet meedoen Irene

Je zegt ja

Je zegt nee

      Keuzes (168)

      Wel meedoen Irene

      Je zegt ja

      Je zegt nee

          Keuzes (167)

          Je gaat door twee grote openslaande deuren naar de eetzaal. Michiel wijst aan waar je een dienblad kunt halen. Er is een ruime keuze en alles ziet er lekker uit! Je gaat voor een soep en een broodje, daarnaast natuurlijk ook een koffie. Je hoeft zelf niet af te rekenen, want Michiel schiet het voor. “We kunnen daar wel even gaan zitten” wijst hij, “dat zijn wat studentes die hier al wat langer rondlopen. Ze halen ook wel veel kattenkwaad uit, maar hun cijfers zijn prima dus dan is daar wat ruimte voor. Tot op zekere hoogte natuurlijk.” Je gaat zitten en Michiel stelt je voor. “Dat is Doortje, Amira, Nienke, en Jasmine. “Irene, aangenaam” beantwoord je de begroeting. “Ben je een nieuwe studente? No offense, maar je ziet er niet uit als 18” zegt Doortje brutaal. Michiel kijkt haar even streng aan, maar ze beantwoordt de blik vrijpostig. “Nee, ik ben vandaag op bezoek om meer te weten te komen over de leermethoden hier. Ik werk voor een school en mijn baas wil graag weten hoe jullie aan zulke goede cijfers komen. Al weet ik niet zeker of de methoden die ik tot nu toe heb gezien bij ons ook toepasbaar zijn.” De andere vrouwen lachen. “Nee, dit is niet voor iedereen” geeft Nienke toe. Dan zie je hoe Michiel zijn telefoon tevoorschijn haalt, even met een frons kijkt en opstaat. “Het spijt me, dames, maar zo te zien ben ik even ergens anders nodig.” Voor het geval het nog niet duidelijk was, zegt Amira woordeloos “straf” en maakt nog even een slaand gebaar met haar hand. “Irene, als jij vanmiddag een uur bij dit groepje aansluit terwijl ze zelfstudie hebben, dan zie ik je daarna weer.”

          Zelfstudie? Wat moet je studeren dan? Terwijl je je afvraagt of Michiel hier wel goed over nagedacht heeft, blijkt dat je niet de enige bent met deze gedachten. “Zelfstudie? Soms denk ik dat Michiel zelf slaag nodig heeft. Wat moet je studeren dan?” zegt Jasmine. Je lacht, “ja, dat weet ik ook niet zo goed..” Doortje krijgt een twinkeling in haar ogen. “Je zou ons ook kunnen helpen! In elk lokaal hangt wel iets, een strap, een paddle, of een cane om ons straf te geven, terwijl we dat helemaal niet verdienen natuurlijk.” Even kijkt ze je met een pruillip aan. “Als we nu eens al die spullen jatten en verstoppen, kunnen ze ons niet meer slaan!” Amira giechelt, Jasmine rolt met haar ogen. “Dat is echt zo’n dom idee, uiteindelijk krijgen ze ons te pakken en dan zijn we nog niet jarig.” “Nou ja, dat is toch leuk!” werpt Doortje tegen. “Voor jou misschien, ik heb vandaag wel weer genoeg gehad” zegt Jasmine. Doortje kijkt vragend naar Nienke. “O nee, de vorige keer dat je me meesleurde met een van die gekke plannetjes van je heb je me keihard verraden. Ik wil morgen liever gewoon kunnen zitten, dankjewel.” Nu kijkt Doortje jou vragend aan. “Doe jij mee? Jij komt er wel mee weg denk ik.” Daar heb je je twijfels over, maar is dit wel een goed idee?

          Je zegt ja

          Je zegt nee

              Keuzes (166)

              Je gaat door twee grote openslaande deuren naar de eetzaal. Michiel wijst aan waar je een dienblad kunt halen. Er is een ruime keuze en alles ziet er lekker uit! Je gaat voor soep en een broodje, daarnaast natuurlijk ook een koffie. Je hoeft zelf niet af te rekenen, want Michiel schiet het voor. “We kunnen daar wel even gaan zitten,” wijst hij, “dat zijn wat studentes die hier al wat langer rondlopen. Ze halen ook wel veel kattenkwaad uit, maar hun cijfers zijn prima, dus dan is daar wat ruimte voor. Tot op zekere hoogte natuurlijk.” Je gaat zitten en Michiel stelt je voor. “Dat is Doortje, Amira, Nienke, en Jasmine ken je al.” Jasmine kleurt rood bij die woorden, maar strekt toch haar hand uit. “Irene, aangenaam,” beantwoord je de begroeting. “Ben je een nieuwe studente? No offense, maar je ziet er niet uit als 18,” zegt Doortje brutaal. Michiel kijkt haar even streng aan, maar ze beantwoordt de blik vrijpostig. “Nee, ik ben vandaag op bezoek om meer te weten te komen over de leermethoden hier. Ik werk voor een school en mijn baas wil graag weten hoe jullie aan zulke goede cijfers komen. Al weet ik niet zeker of de methoden die ik tot nu toe heb gezien bij ons ook toepasbaar zijn.” De andere vrouwen lachen. “Nee, dit is niet voor iedereen,” geeft Nienke toe. Dan zie je hoe Michiel zijn telefoon tevoorschijn haalt, even met een frons kijkt en opstaat. “Het spijt me, dames, maar zo te zien ben ik even ergens anders nodig.” Voor het geval het nog niet duidelijk was, zegt Amira woordeloos “straf” en maakt nog even een slaand gebaar met haar hand. “Irene, als jij vanmiddag een uur bij dit groepje aansluit terwijl ze zelfstudie hebben, dan zie ik je daarna weer.”

              Zelfstudie? Wat moet je studeren dan? Terwijl je je afvraagt of Michiel hier wel goed over nagedacht heeft, blijkt dat je niet de enige bent met deze gedachten. “Zelfstudie? Soms denk ik dat Michiel zelf slaag nodig heeft. Wat moet je studeren dan?” zegt Jasmine. Je lacht: “Ja, dat weet ik ook niet zo goed.” Doortje krijgt een twinkeling in haar ogen. “Je zou ons ook kunnen helpen! In elk lokaal hangt wel iets, een strap, een paddle of een cane, om ons straf te geven, terwijl we dat helemaal niet verdienen natuurlijk.” Even kijkt ze je met een pruillip aan. “Als we nu eens al die spullen jatten en verstoppen, kunnen ze ons niet meer slaan!” Amira giechelt, Jasmine rolt met haar ogen. “Dat is echt zo’n dom idee, uiteindelijk krijgen ze ons te pakken en dan zijn we nog niet jarig.” “Nou ja, dat is toch leuk!” werpt Doortje tegen. “Voor jou misschien, ik heb vandaag wel weer genoeg gehad,” zegt Jasmine. Doortje kijkt vragend naar Nienke. “O nee, de vorige keer dat je me meesleurde met een van die gekke plannetjes van je heb je me keihard verraden. Ik wil morgen liever gewoon kunnen zitten, dankjewel.” Nu kijkt Doortje jou vragend aan. “Doe jij mee? Jij komt er wel mee weg denk ik.” Daar heb je je twijfels over, maar is dit wel een goed idee?

              Je zegt ja

              Je zegt nee

                  Spanking in het openbaar

                  Iets wat velen aantrekt is het idee om betrapt te worden, Dat jij weet dat je billenkoek krijgt als je je misdraagt is al erg genoeg, dat anderen het zien of horen maakt het nog duizend keer erger (en leuker). Aan de andere kant, dat is misschien niet iets dat je wil delen met de rest van de wereld. Wat zijn jouw ervaringen met spanking in het openbaar?

                  Heb je ooit aan spanking gedaan in het openbaar?
                  39 stemmen · 66 antwoorden

                  Bunker in het bos

                  “Wat is dat toch met jou?” vraagt hij. “Je lijkt de muren op te lopen.”

                  Ze zucht. Het is waar: ze is vreselijk ongedurig.

                  “Geen idee,” antwoordt ze. “Ik weet echt niet hoe het komt. Ik weet gewoon geen blijf met mezelf.”

                  “Ga even wandelen,” spoort hij aan.

                  Ze haalt haar schouders op. “Geen zin in.”

                  Heb je ergens wel zin in?

                  Ze denkt even na en schudt dan haar hoofd.

                  “Dan ga je dus wandelen,” besluit hij.

                  Aan zijn blik te zien kan ze maar beter niet te hard protesteren.

                  “Waar zou ik dan heen moeten?”

                  “Gewoon, even het bos in. Als je de knooppunten volgt, kom je uit op ongeveer 5 kilometer dacht ik. Een uurtje stappen. Daar kom je vast van tot rust.”

                  “Is het niet al een beetje laat om nu nog te gaan wandelen?” probeert ze.

                  Hij schiet in de lach. “Het is nog niet eens 20 uur,” antwoordt hij. “Het duurt nog twee uur eer de zon ondergaat. Ruim tijd. Zeker als je niet blijft treuzelen en gewoon vertrekt.”

                  Urgh. Het zal dan wel. In zichzelf mopperend trekt ze haar wandelschoenen aan. Een rugzak neemt ze niet mee. Ze zal immers maar een uurtje weg zijn? Dan is het veel minder vervelend om wat dorst te hebben, die ze na dat uur meteen kan lessen, dan om een heel uur lang haar rug te verwarmen door een rugzak mee te slepen.

                  Het duurt even, maar na een tweetal kilometer moet ze toegeven dat Bas gelijk had. De gedachten lopen over elkaar heen in haar hoofd, maar daarna verdwijnen ze geleidelijk aan op het ritme van haar voetstappen.

                  Er zijn niet veel andere wandelaars op pad in dit deel van het bos. Toch was er daarnet een man die langs haar heen kwam gejogd. Gek. Hij zou net rustig de tijd moeten nemen om van de omgeving te genieten, vindt Zoë. En niet alle dieren wegjagen met zijn haastige gedoe. Tot nu toe hoorde ze minstens drie konijnen of eekhoorns wegschieten tussen de struiken. Ook sprongen vier kikkers met een plons in het water toen ze een bruggetje overstak. En daarnet zag ze zelfs, voor het eerst in haar leven, een specht met zijn snavel tegen de boom tikken. Dat klonk veel luider dan ze had gedacht. En die vogel was slechts piepklein! Wat een sterke snavel moet die hebben…

                  De joggende man van daarnet staat iets verderop vertwijfeld stil bij een kruispunt. Net wanneer ze rechtsaf wil slaan richting wandelknooppunt 53, zoals het bordje aangeeft te doen, spreekt hij haar aan.

                  “Sorry, weet u soms welke richting ik uit moet om naar nummer 53 te gaan?”

                  “Ja hoor, gewoon rechtdoor,” antwoordt ze.

                  “Bedankt!” roept de man over zijn schouder, terwijl hij alweer verder jogt.

                  Zoë giechelt in zichzelf. Eigenlijk is ze een beetje geschrokken over zichzelf. Hem zomaar de verkeerde kant op sturen… Ach, dan leert hij het bos misschien waarderen, praat ze het voor zichzelf goed. Als hij niet zo’n haast had gehad, had hij misschien ook het bordje gezien met de pijl erop. Akkoord, het stond niet vlák naast de weg, maar zo moeilijk was het nu ook weer niet te spotten. In elk geval is er nu al niet veel meer aan te doen. De man is al uit het zicht verdwenen. Zelf slaat Zoë wel rechtsaf, op weg naar knooppunt 53. Die man komt ook wel uit waar hij moet zijn. Uiteindelijk. Zo gigantisch is dit bos nu ook weer niet.

                  Ze wandelt verder en eenmaal ze bij knooppunt 53 aangekomen is, slaat ze linksaf op weg naar knooppunt 52. Ze is de man al bijna vergeten. Ze geeft het niet graag toe, maar Bas had gelijk dat hij haar even naar buiten stuurde. De wandeling doet haar goed. Ze is nu ongeveer halverwege. Ze blijft even staan om haar schoenveter opnieuw te strikken. Wanneer ze overeind komt, schrikt ze. Op een tweehonderdtal meter voor haar uit ziet ze de man van daarnet. Waar komt die nu vandaan? Vast vanuit een zijweggetje ergens. Alle wegen in dit verdomde bos lopen in kringetjes die elkaar regelmatig kruisen. Belangrijk is om te weten of hij haar gezien heeft. In elk geval komt hij vastberaden deze kant op. Paniekerig kijkt ze om zich heen, maar er zijn geen vluchtroutes. Geen zijwegen, alleen bomen, bramenstruiken en brandnetels. Als ze zich nu omdraait, ziet dat er ook maar gek uit. Dus loopt ze verder en hoopt ze maar dat hij haar niet herkent en haar gewoon laat passeren.

                  IJdele hoop, zo blijkt al snel.

                  “Wat dacht je wel niet?” zegt hij boos, zodra hij binnen gehoorsafstand is. “Me zomaar de verkeerde kant opsturen. Dat vond je zeker wel grappig?”

                  Een beetje wel, maar dat durft ze nu echt niet meer toegeven.

                  “Ik zou je moeten arresteren voor smaad aan de politie en obstructie van de rechtsgang.”

                  “Pardon?” Ze verslikt zich bijna.

                  “Wat als ik een boef achterna had gezeten en jij me de verkeerde kant opstuurde? Daar staan strenge straffen op, hoor.”

                  “Bent u een politieagent?”

                  De man knikt.

                  “Dat kon ik toch niet weten?”

                  “Mooi, dan werkt m’n undercoveroutfit. Maar dat wil nog niet zeggen dat je mensen zomaar de verkeerde kant mag opsturen. Heel m’n operatie had wel in het water kunnen vallen.”

                  “Loopt die boef hier nu dan nog ergens rond?” Ze kijkt nerveus om zich heen.

                  “Nee, nee,” stelt hij haar gerust. “Hij blijkt er vandaag niet te zijn. Maar als hij er wel was geweest en ik was hem door jou misgelopen…”

                  “Tja, eh, sorry?” zegt ze. Wat moet je daar nu ook op gaan zeggen?

                  “Sorry? Daar koop ik niets voor,” bromt de man. “Jij gaat met mij mee naar het politiebureau. Dan gaan we samen een paar documenten invullen.”

                  “Politiebureau? Documenten? Wat voor documenten?”

                  Een officiële waarschuwing voor obstructie van de rechtsgang. Misschien leert dat je om je voortaan wat socialer op te stellen.

                  “Hé, ik kon dit toch niet weten!” roept Zoë uit. “Wie zegt trouwens dat je een echte politieagent bent?” merkt ze plots slim op. “Straks vertel je me dat alleen maar om me te kunnen meelokken en ontvoeren.”

                  Hij reikt in zijn borstzak en haalt er een badge uit, die hij haar voorhoudt. Het ziet er legitiem uit. Dan steekt hij zijn hand in zijn kontzak en houdt haar een stel handboeien voor. “Ga je nu netjes met me mee of moet ik je deze omdoen?”

                  “Ho, wacht even.” Ze deinst achteruit. “Moet ik echt mee naar het politiebureau? Kunnen we dit niet op een andere manier oplossen?”

                  “Wat stel je voor?”

                  “Ik heb al mijn verontschuldigingen aangeboden,” begint ze. “Ik beloof u dat ik voortaan nooit meer mensen de verkeerde kant op zal sturen.”

                  “En ik moet dat zomaar geloven?”

                  Ze knikt heftig. Ja, alsjeblieft, geloof het.

                  “Als je mijn vrouw was, zou ik je een pak slaag geven waardoor je drie dagen niet meer kon zitten.”

                  Een pak slaag. Zoë’s hersenen draaien op volle toeren. Zou hij veel harder slaan dan Bas? Zijn armen zien er best gespierd uit en hij heeft ook grote handen.

                  “Zo te zien spreekt dat idee je wel aan,” grijnst hij. “Ben je al eens eerder geslagen?”

                  Ze voelt hoe haar wangen rood worden. Stil knikt ze.

                  “Dan hoef ik je vast niet meer uit te leggen dat een pak slaag op de blote billen gegeven wordt?”

                  Nu kijkt ze naar de grond. Gebeurt dit echt?

                  “Wel?”

                  “Nee, meneer,” mompelt ze.

                  “Hmm.” Hij denkt even na. “Weet je zeker dat je dit wil?”

                  “Zolang ik maar niet mee hoef naar het politiebureau,” zegt ze stil.

                  “Dan regelen we het onder ons,” gaat hij akkoord. “Maar je doet wel deze aan, zodat je er niet vandoor gaat.” Hij zwaait met de handboeien. “Draai je maar om.”

                  Ze slikt even. Dan draait ze zich om en houdt haar handen op haar rug. Even later zitten haar handen vast. Het metaal voelt koud en hard tegen haar huid.

                  “Iets verderop is een gebouwtje van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening. Weet je dat zijn?”

                  Ze knikt, haar rug nog steeds naar hem toe. “Daar gaan we heen. Jij gaat voorop.”

                  Als ze nu maar niemand tegenkomen… Gelukkig is het niet ver. De betonnen constructie is omheind door prikkeldraad en een gesloten poort met daarop een bordje “verboden toegang – privédomein”.

                  De politieagent haalt een sleutel tevoorschijn. “Ik lig hier regelmatig op wacht, daarom heb ik een sleutel. Niemand zal ons hier storen.”

                  Hij sluit de poort achter hen en gaat haar voor, een bunkerachtig gebouw binnen. Er staat niet veel in het gebouw. Een groot reservoir met water en verder wat leidingen. Maar ook een stoel, die de man nu in het midden van de beperkte ruimte zet. Hij graaft even in zijn rugzak en haalt dan, tot Zoë’s grote verbazing, een kleine houten paddle tevoorschijn. Is dit nu ook al standaard uitrustig voor politieagenten, vraagt ze zich af.

                  “Kom maar even hier voor me staan,” geeft de man aan. “Weet je zeker dat je dit wil? Je kunt nu nog terug. Zoals je ziet, ben ik niet van plan om mild voor je te zijn.”

                  Weet ze het zeker? Geen idee. Maar een pak slaag is straks voorbij, terwijl een officiële waarschuwing vast twee jaar op haar strafblad gaat staan. Eigenlijk heeft ze geen idee wat ze van een officiële waarschuwing moet verwachten. Wat ze van een pak slaag kan verwachten, weet ze wel. Dan kiest ze liever voor het bekende en de korte pijn.

                  “Laatste kans,” geeft hij aan.

                  “Nadien is het klaar?” vraagt ze nogmaals, ter bevestiging.

                  “Dan ga jij even niet kunnen zitten, maar er zullen geen verdere gevolgen zijn,” herhaalt hij.

                  Dus knikt ze.

                  Hij tikt op zijn bovenbil en ze gaat naast hem staan. “Zoals ik daarbuiten al zei,” kondigt hij aan, “gebeurt een pak slaag op de blote billen. Hij maakt de knoop van haar broek los en trekt die naar beneden. Haar onderbroek volgt meteen.

                  Zoë schaamt zich dood, maar kan er niet veel tegen beginnen, met haar handen geboeid op haar rug. Dan neemt hij haar bovenarm vast en begeleidt hij haar over zijn knie. Oef. Haar voeten komen niet aan de grond, merkt ze. En haar billen steken hoog de lucht in. Hij legt zijn ene arm om haar heupen, zodat ze niet kan vallen.

                  Zoë zet zich schrap, maar hij begint niet meteen te slaan. In plaats daarvan doet hij zijn preek van daarnet nog even dunnetjes over.

                  “Je mag mensen niet zomaar de verkeerde kant opsturen als ze je de weg vragen. Je weet nooit of ze haast hebben en waarom ze ergens heen moeten. Je hebt echt heel veel geluk gehad dat er geen ernstigere gevolgen van jouw kleine grapje zijn. Niet omdat ik toevallig politieagent ben, maar omdat je bij niemand, helemaal niemand, ooit kunt weten welke reden ze hebben om ergens snel heen te willen. Het is helemaal niet netjes om hen dan opzettelijk te vertragen en misschien zelfs in de problemen te brengen door hen de verkeerde kant op te sturen.”

                  Ze laat het stilletjes over zich heen komen. Hij heeft natuurlijk gelijk. Geen idee wat haar bezielde. Het was gewoon een opwelling.

                  “Ik heb er niet bij nagedacht,” antwoordt ze uiteindelijk.

                  “Nee, dat denk ik ook niet,” reageert hij meteen. “Dus ik ga er nu even voor zorgen dat je een pak slaag krijgt dat je nog lang zal heugen. Volgende keer als iemand je de weg vraagt, zul je er wel degelijk over nadenken, dat garandeer ik je.”

                  Dan begint hij te slaan. Niet zacht, maar ook niet heel hard. De klappen weergalmen luid in deze bunker. jammer genoeg v oor Zoë lijkt de man door te hebben dat ze meer gewend is, want hij voert het tempo op en begint ook steviger te slaan. Na een tijdje kan ze niet meer stil liggen en trapt ze met haar benen. Gelukkig heeft hij haar stevig vast aan haar heup, want doordat haar handen nog steeds vastgebonden zijn op haar rug, kan ze moeilijk zelf haar evenwicht houden.

                  “Zo, begint de boodschap al door te dringen?” vraagt hij uiteindelijk.

                  Zoë hijgt. “Ja!” roept ze. “Ik zal voortaan nooit meer iemand de verkeerde kant opsturen.”

                  “Goed zo,” zegt hij. “Die boodschap gaan we er nog wat steviger in slaan.”

                  Hij neemt de houten paddle en legt die op haar billen.

                  “Nee, alsjeblieft…” kreunt ze.

                  “Oh jawel,” zegt hij ferm. “Dit is je verdiende loon. Jij zult leren om geen grapjes uit te halen met onschuldige voorbijgangers die genoeg vertrouwen in jou hadden om je om hulp te vragen.”

                  Shit. Als hij het zo stelt, klinkt het wel heel erg wat ze gedaan heeft. Veel tijd om er lang bij stil te staan, krijgt ze niet, want hij begint meteen opnieuw te slaan. En zo’n houten paddle doet echt veel meer pijn dan zijn hand, hoe hard zijn handen ook waren. Algauw staan haar billen in brand. Ze jammert en smeekt, maar het haalt allemaal niets uit.

                  “Ik had je gewaarschuwd dat je hierna minstens een paar dagen niet meer zult kunnen zitten,” zegt hij zonder een spoortje van medelijden in zijn stem. “Ik wil dat de boodschap goed doordringt.”

                  “Het is doorgedrongen!” jammert ze. “Ik ga het echt nooit meer doen.”

                  “Echt?” Hij slaat ongenadig door.

                  “Echt!” belooft ze. “Auwww.”

                  “Het klinkt in elk geval alsof we de goede kant opgaan,” geeft hij toe. “Maar ik wil heel zeker zijn.” En dus slaat hij verder.

                  Pas na wat een eeuwigheid lijkt, houdt hij op. Waarderend laat hij zijn rechterhand over haar gezwollen billen gaan.

                  “Die voelen warm,” geeft hij aan.

                  “Het doet pijn,” jammert Zoë.

                  “Mooi zo. Dat is namelijk exact de bedoeling.”

                  Even is het stil. Het voelt vreemd stil, want de akoestiek in de bunker zorgde dat de klappen en haar gejammer enorm versterkt werden doordat ze tegen de betonnen muren aan galmden.

                  “Wat denk je? Ga je nog mensen de verkeerde kant op sturen?”

                  “Nee!” roept Zoë meteen. “Dat doe ik helemaal nooit meer.” Ze meent het hartsgrondig. “Nooit, nooit, nooit meer.”

                  De man glimlacht. “Mooi zo.”

                  Een sleutel klikt in haar handboeien en dan zijn haar handen plots vrij. Haar schouders zijn stram door haar armen zo lang gedwongen naar achter te hebben gehouden. Voorzichtig helpt hij haar overeind.

                  Ze bloost bij het besef dat haar broek nog steeds rond haar enkels had en bukt zich snel om die op te trekken.

                  “Alles oké?”

                  Ze knikt. En glimlacht. “Ik weet eigenlijk niet hoe je heet,” zegt ze dan.

                  “Je hebt mijn badge toch gezien?”

                  “Tja, eh, ik ben je naam een beetje vergeten,” geeft ze toe.

                  “Foei, foei,” grapt hij. “Ik ben Sander.”

                  “Zoë,” zegt ze en ze steekt haar hand uit. “Aangenaam.”

                  Hij grinnikt. “Aangenaam.”

                  Dan opent hij de deur. “Na jou,” gebaart hij galant. “En laat ik niet merken dat je nog mensen de verkeerde kant op stuurt!”

                  “Nee, nee,” haast ze zich te zeggen. “Dat doe ik nooit meer.”

                  En dan maakt ze dat ze wegkomt. Ze is al veel langer dan uur weggebleven. Hoe moet ze dit straks aan Bas uitleggen?

                  Hutje in het bos

                  “Hé, kijk, een vlinder!”

                  Hij glimlacht. Ze kan soms zo heerlijk spontaan zijn. Schattig vindt hij het. Maar als hij haar dat zegt, zet ze haar stekels op. Wat haar overigens alleen maar schattiger maakt, al haalt hij het niet in z’n hoofd om haar daarop te wijzen.

                  “Oeh, daar staat een pijltje naar het speelbos. Kom, we gaan daarheen!”

                  Zonder zijn reactie af te wachten slaat ze het pad in. Hij volgt. Het is hem allemaal best. Ze dwalen al een halfuur op goed geluk door het bos. Het plan was om een wandelroute te volgen, maar tegen de verwachtingen in wordt die route niet met bordjes aangegeven. En aangezien ze geen van beiden zin hebben in kaartlezen, besloten ze dan maar om willekeurig en op gevoel een pad te kiezen. Hoe ze straks terug bij het beginpunt komen, is een zorg voor later.

                  “Kijk uit voor de tak!” roept ze plots, terwijl ze een tak aan een boom opzettelijk tegen hem aan laat zwiepen.

                  “Hé!” roept hij uit.

                  “Oepsie.” Haar ogen twinkelen te hard om er ook maar iets van te geloven. Dit was duidelijk met opzet.

                  “Kijk maar even uit jij,” gromt hij.

                  “Ik kijk uit, maar jij duidelijk niet. Ik kan er ook niets aan doen dat jij die tak niet had gezien.”

                  Voor ze erop bedacht is, heeft hij haar oor beet. De brutale grijns staat nog op haar gezicht, maar er is ook wat onzekerheid bij gekomen.

                  “Let maar op, anders neem ik je mee naar een geheim hutje. Het geheime hutje in het gevaarlijke, donkere bos.”

                  “Zo donker is het hier niet,” werpt ze tegen, terwijl ze mokkend over haar over wrijft. “En ik zie ook geen hutjes.”

                  “In dat hutje staat een stoel midden in de kamer. Waar zou die toch voor dienen…”

                  Ze haalt haar schouders op, maar zorgt verstandig dat ze buiten handbereik blijft.

                  “Kijk, daar is een kabelbaan!” roept ze plots. Handige wissel van onderwerp. “Gaan we erop?”

                  Hij zucht. “Goed hoor.” Inmiddels weet hij al beter dan tegen dit soort dingen in te gaan. Ach, als ze daar blij van wordt. Beter dit dan dat ze kattekwaad uithaalt. Dus gaan ze elk om beurt van de kabelbaan. Hij één keer, om haar plezier te doen. Zelf gaat ze nog een keertje extra.

                  “Dat was leuk,” grijnst ze. “Maar ik wil eerst even wat drinken voor we verder lopen.” Ze haalt een fles water uit haar rugzak en draait de dop open. Ze neemt een grote slok. “Wil je ook wat verfrissing?” vraagt ze dan. Ze biedt hem de fles aan, maar wanneer hij zijn hand uitsteekt om die aan te nemen, knijpt ze er hard in, waardoor er een hele straal water in zijn gezicht spuit.

                  “Zoë!” roept hij uit.

                  Ze plooit dubbel van het lachen. “Wat?” vraagt ze dan onschuldig. “Ik bood je verfrissing aan. Is dat niet verfrissend genoeg? Wil je nog?”

                  Gelukkig voor haar zijn er nog wandelaars in het bos en net nu passeren er weer drie mensen met een hond.

                  “We zullen toch maar even langs dat hutje moeten gaan,” dreigt hij dan maar, terwijl hij het water uit zijn gezicht veegt.

                  “Dat niet bestaande hutje,” hoont ze. “Tuurlijk.”

                  Ze stappen verder. En intussen praten ze. Over van alles. Serieuze onderwerpen, minder serieuze onderwerpen, helemaal niet serieuze onderwerpen. Het voelt heerlijk om even in dit bos te zijn, weg van het leven van alle dag. Een paar uur lang gewoon wat wandelen, wat babbelen en af en toe op een kabelbaan gaan. Natuurlijk kan ze het niet laten om regelmatig een brutale opmerking te maken of iets wat hij zegt opzettelijk verkeerd te begrijpen en te verdraaien. Maar dat wist hij vooraf, dat het zo zou gaan. Op zijn beurt stelt hij haar lastige vragen, waarvan hij weet dat ze er verlegen van zal worden: “Heb je liever dat je benen in de lucht bungelen als je over de knie ligt of dat je voeten de grond nog raken?” Ze houdt zich groot terwijl ze antwoord geeft, zeker, maar het is duidelijk dat ze soms moeite heeft om hem te blijven aankijken. Hij geniet ervan. Met volle teugen. Want o wat kan ze hem jeukende handen bezorgen…

                  “Het is echt heel warm,” merkt hij op een bepaald moment op. “Gelukkig is hier veel schaduw.”

                  Ze knikt. “Wil je nog wat water?” biedt ze aan. De ondeugende twinkeling in haar ogen spreekt boekdelen. Toch knikt hij. Zou ze het serieus nog eens durven? Ja hoor, ook deze keer knijpt ze in de fles, maar nu was hij erop bedacht en kan hij het water ontwijken.

                  “Je vraagt er echt om, meisje.”

                  Ze lacht en knikt. “Tja,” zegt ze. “Wat jammer nu dat er hier zoveel andere wandelaars zijn.”

                  “Kom jij maar eens even mee.” Hij neemt haar bij de arm en trekt haar mee, van het pad af, tussen de bomen door.

                  “Waar gaan we heen?” vraagt ze, nu toch een beetje ongerust. “Naar dat hutje van je zeker?”

                  “Inderdaad,” knikt hij.

                  Ze lacht schamper, maar wordt abrupt stil als ze een paar minuten later voor een houten deur staan. Wat bijzonder dat ze die niet eerder had opgemerkt. Maar het hutje zit dan ook echt goed verscholen tussen de bomen. Als je het niet weet zijn, zul je het nooit vinden. In dit deel van het bos komen er sowieso ook al minder wandelaars, omdat het eigenlijk de bedoeling is dat je op de paden blijft.

                  Hij haalt een sleutel tevoorschijn en opent de deur.

                  “Vanwaar komt die sleutel?”

                  “Dit hutje wordt gebruikt door de scouts. Ze komen hier regelmatig een bosspel doen en leggen hier dan hun materiaal en de rugzakken van de leden, zodat alles veilig ligt. Ik heb een vriend bij de leiding die me voor vandaag de sleutel wilde lenen. Ik had al zo’n vermoeden dat het weleens nodig zou kunnen zijn.”

                  Met een armgebaar nodigt hij haar uit naar binnen. Zoals hij had voorspeld, staat in het midden een houten stoel. Hij sluit de deur achter hen en gaat zitten. “Kom jij nu maar eens even hier.”

                  Aarzelend loopt ze op hem af. Hier had ze niet op gerekend. Dat hij later eens met haar zou afrekenen, dat wel. Dat zeker. Maar niet hier en nu.

                  “Doe je broek naar beneden.”

                  Heel even aarzelt ze. Ze werpt een blik op het raam, maar dat is zo vuil dat je er niet meer dan schaduwen door kunt zien. Ze betwijfelt of iemand naar binnen zal kunnen kijken, als er al iemand langs zou komen, wat op zichzelf ook twijfelachtig is.

                  Dan doet ze wat hij zegt en gaat ze met een diepe zucht over zijn knie liggen.

                  “Ik hoef je zeker niet te vertellen waarom je hier ligt?”

                  Ze schudt haar hoofd.

                  “Dan kun jij me dat vast zelf wel vertellen.”

                  Even stilte. Een opstandige stilte. Hij laat het duren.

                  “Wel?” vraagt hij dan.

                  “Wellicht omdat ik misschien een beetje brutaal was,” mompelt ze.

                  “Misschien?” Hij lacht. “En: een beetje brutaal? Je was zeker weten heel erg brutaal.”

                  “Het viel best mee,” mompelt ze binnensmonds.

                  “Het viel even goed mee als dit pak slaag zal meevallen.”

                  Ze kreunt. Hij heeft er duidelijk erg veel plezier in, dus ze betwijfelt of dit pak slaag zal meevallen. Daarvoor heeft hij veel te veel lol. O, het is duidelijk dat het geen echte straf is, maar het is ook duidelijk dat ze haar grote mond beter iets had kunnen temperen. Daarvoor is het nu echter te laat.

                  Enkele minuten later geven haar billen een warme gloed af. Ze mag opstaan en haar broek aandoen. Gelukkig heeft hij geen instrumenten bij, bedenkt ze. Zijn hand is ook hard, maar dat is nog te doen.

                  “Nee,” zegt hij. Ze kijkt hem vragend aan. “Ik denk niet dat je je nu al zult kunnen gedragen.”

                  Ze snapt het niet. Het is toch klaar? Ze heeft haar broek al weer aan.

                  “Ga maar even buiten een paar goeie takken zoeken. Ik blijf hier wachten. Je hebt vijf minuten. Voor elke seconde die je te laat bent, krijg je extra. Hij haalt zijn telefoon uit en stelt een timer in.

                  Verstomd kijkt ze hem aan. Meent hij dit nu?

                  “De tijd gaat in.”

                  Nog heel even staart ze hem aan, dan beseft ze dat ze beter kan voortmaken. Het kan niet moeilijk zijn om midden in het bos een paar takken te vinden. Maar hoeveel is “een paar”? En los daarvan heeft ze helemaal geen zin om takken te moeten zoeken waar hij haar straks mee zal slaan. Heel even overweegt ze om met lege handen terug te keren, maar ze besluit bijna meteen dat dat een heel slecht idee zou zijn. De man stroomt over van de gemene ideeën, dus dan tovert hij gewoon wat anders uit zijn hoed wat nog erger is.

                  In zichzelf mopperend raapt ze een lange tak van de grond. Hij is vrij lang en zonder al te veel aftakkingen. Ideaal geschikt voor het doel dus. De knoop in haar maag groeit. Ze wil zich niet inbeelden hoe het zal voelen als die neerkomt op haar billen. Pijnlijk wordt het zeker. Had ze daarnet nu maar een toontje lager gezongen. Net iets minder brutaal geweest. Die tweede keer water in z’n gezicht spuiten, dat had ze beter niet gedaan. Waarom deed ze dat ook?

                  Omdat ze zich onschendbaar waande. En eer hij de kans zou hebben om er iets aan te doen, was de grootste irritatie al wat gezakt en had het niet uitgemaakt of ze iets meer of minder had gedaan. Dat was haar redenering geweest. Hoe had ze ook kunnen weten dat dat stomme hutje echt bestond?

                  Hoeveel minuten zou ze nog hebben? Ze is echt niet goed in tijd inschatten. Ze kan beter voortmaken. Zou drie takken genoeg zijn? Het moet maar, wat haar betreft is de tijd om. Terwijl ze terugloopt, kijkt ze nog even goed om zich heen, maar er is echt niemand te zien die iets zou kunnen horen. Gelukkig maar.

                  “Nog een halve minuut over,” zegt hij als ze terug binnenkomt. “Toon maar eens wat je hebt.”

                  Zwijgend reikt ze hem de drie takken aan. Hij inspecteert ze op gladheid. Met een mesje snijdt hij enkele oneffenheden weg. Dan zwiept hij ze elk om beurt door de lucht.

                  Zoë weet zich intussen geen houding te geven. Ze wil liefst wegkijken, maar kan het niet helemaal. Tegen wil en dank volgt ze zijn bewegingen vanuit haar ooghoeken.

                  “Leg je handen op het zitgedeelte van de stoel,” gebiedt hij eindelijk.

                  Zwijgend gehoorzaamt ze. Nu hij die takken in zijn handen heeft, is haar neiging om tegen te spreken volledig verdwenen.

                  Hij trekt haar broek opnieuw naar beneden en legt de eerste tak aan.

                  “Eens kijken welke tak de beste is,” zegt hij. Ze ziet zijn gezicht niet, maar aan zijn stem hoort ze dat hij breed grijnst. Hij geniet hiervan, de sadist.

                  Even houdt hij de tak stil tegen haar billen, dan zwiept hij drie keer kort na elkaar. Ze slaakt een kreet en stampt met haar voet op de grond als reactie op de felle pijn.

                  “Tut-tut,” maant hij. Kwaad kijkt ze achterom, maar meer durft ze niet te protesteren.

                  “De tweede tak,” kondigt hij aan. Opnieuw drie felle slagen kort na elkaar.

                  “Deze zwiept ook lekker,” is zijn oordeel. Zelf voelt ze geen verschil.

                  Nog één tak te gaan. Ook deze draagt zijn goedkeuring weg.

                  “Dat heb je goed gedaan,” zegt hij waarderend.

                  Ze knarsetandt, maar weet beter dan hem van repliek te dienen.

                  “Eens kijken hoe het voelt als ik ze alle drie tegelijk gebruik.”

                  Verschrikt kijkt ze om, maar hij verpinkt niet.

                  Hij neemt de drie takken gebundeld in zijn rechterhand en legt ze even aan tegen haar billen. Ze spant op. Even gebeurt er niets, dan een driedubbele zwiep. Ze schiet overeind. Verdomme, dat doet pijn.

                  “Terug in positie,” maant hij.

                  Vuil staart ze hem aan.

                  “Je hebt duidelijk nog meer nodig,” concludeert hij.

                  De takken landen nu snel op haar billen. Hoe erg ze ook probeert stil te staan, het lukt haar niet. Hij legt een hand op haar rug om haar beter in positie te houden.

                  “Nog tien keer,” kondigt hij aan. “Zet je schrap.”

                  En dan is het eindelijk voorbij. Ze trekt haar broek op en ontwijkt zijn blik, terwijl hij haar in een knuffel tegen zich aan trekt.

                  Hij grijpt haar oor. “Ga je nu weer lief zijn?” vraagt hij.

                  Ze knikt. “Ja,” fluistert ze.

                  “Mooi zo.” Troostend wrijft hij over haar billen.

                  Dan gaan ze weer naar buiten. “Welke kant zullen we nu op gaan?” vraagt hij. “Misschien kunnen we zoeken of er ook een schommel in dit speelbos staat? Is vast erg leuk om met pijnlijke billen op te gaan zitten.”

                  Hij grijnst en ze kan er niets aan doen, maar ze grijnst terug. “Sadist,” grinnikt ze.

                  “Zeker weten,” antwoordt hij. “Gelukkig vind je het net zo leuk als ik.”

                  “Alleen wat pijnlijker,” moppert ze lachend.

                  “Tja, verschil moet er zijn.”

                  De taggers code en de toverheks

                  “Zo, hè hè… ben je weer onder je steen vandaan gekropen? ” grapte Brent toen mijn
                  huisarrest eindelijk voorbij was. “Ook fijn jou weer te zien. Gelukkig met je broek omhoog,” kaatste ik terug. “Zullen we ergens een hapje gaan eten? Ik heb wel zin in Shabu,” stelde Brent voor. Voor sushi was ik wel te porren. Die AGV’tjes van mijn moeder kwamen na een maand mijn neus wel uit.
                  “Ben je ondertussen al een keer terug geweest naar die mevrouw Ten Catens?” vroeg ik nieuwsgierig toen we bij ShabuShabu neerstreken. Hij keek even ongemakkelijk en knikte. “Vorige week. Die borstel is echt klote. Ik kon een paar dagen nauwelijks zitten na mijn bezoek aan die toverheks. Lopen, in bed omdraaien alles deed pijn. Maar geen boete of schoonmaakwerk dus ik ben al lang blij.”
                  Vol nieuwe plannen liepen we twee uur later via de centrum route terug naar huis.
                  Halverwege de route lag een klein skatepark verstopt tussen de saaie winkelpanden. Het skateparkje zelf zat zolang ik me kon herinneren al vol met vage lelijke graffiti.
                  Maar mijn mond viel open van een nieuw werk, op één van de panden ernaast prijkte een prachtige afbeelding van een heks. Het woord bitch in grote letters eronder terwijl de heks een onderbroek tevoorschijn toverde. “Brent, heb jij dit ….”
                  “Holy fuck,” riep hij uit. “Dat doet me wel aan iemand denken. Denk je dat ik dat gemaakt heb?” “Weet ik veel. Ik heb je een maand niet gezien. Misschien wilde je wraak nemen op, hoe noemde je haar ook al weer…”
                  Brent grijnsde maar ging er verder niet op in. We vervolgde de weg naar huis en ik was het eigenlijk alweer vergeten, totdat Hans zaterdagavond plotseling voor onze neus stond. We waren van plan om naar de film “Locked” te gaan maar nu viel ons plan helaas in duigen.
                  “Meekomen allebei,” sommeerde hij. “Je kunt het vast wel raden, mevrouw Ten Catens is ergens not amused over,”
                  En zo stond ik voor de tweede keer ineens in de woonkamer van een zeer gepikeerde mevrouw Ten Catens.
                  “Heren, ik ga jullie een vraag stellen en ik wil van jullie de waarheid horen,” viel ze gelijk met de deur in huis.
                  Ze pakte haar telefoon en liet een foto zien van de graffiti tekening die we bij het skateparkje hadden gezien. “Wat weten jullie hierover?”
                  “Hm,” zei Brent bedenkelijk. “Hebben wij dit laatst niet ergens gezien in de stad?”

                  “Je snapt heus wel dat ik dat niet bedoel. Wie heeft dit gemaakt? Hier moet toch wel over gepraat zijn in jullie cirkeltje?”
                  “Nou, even denken hoor, ik heb er niemand over gehoord. Ik zal het navragen als we ons maandelijkse theekransje hebben,” zei Brent sarcastisch.
                  Brent deed net alsof zijn neus bloedde. Of wist hij echt van niets?
                  Er was een soort code waar alle graffiti spuiters, of taggers zoals ze zichzelf noemden, zich aan hielden. Je spoot nooit over elkaars werk en je verlinkte elkaar nooit.
                  Toen Brent net begon was er een andere nieuwe tagger, Angelo, die over het werk van een ander heen had gespoten. Hij werd door een groepje andere taggers genadeloos in elkaar geslagen. Een van die taggers was David, de neef van mevrouw Ten Catens, die destijds nog actief tagger was.
                  Wij waren toevallig ook op dat moment daar in het park aanwezig en ik herinner me nog steeds het bloed op het gezicht van de jongen en zijn gebroken tanden. De taggers code was niet iets om mee te spotten.
                  “Brent, let op je toon. Je krijgt van mij één kans om de waarheid te vertellen. Heb ik het idee dat je niet eerlijk bent dan weten Hans en ik nog wel een paar foefjes om de waarheid boven tafel te krijgen.”
                  Brent haalde zijn schouders op en zei verder niets meer. Hij friemelde wat aan zijn ring, iets wat hij wel vaker onbewust deed als hij in gedachte was. De ring was hem dierbaar, het was een van de weinige dingen die hij had van de familie van zijn moeder. “Martin?”
                  “Geen idee, ik ben weinig buiten geweest de afgelopen tijd.”
                  “Er hangt een camera bij het skateparkje. Jullie kennen mijn neefje David wel hè. Ik heb hem gevraagd de camerabeelden op te vragen. Weten jullie zeker dat je niets wil vertellen?”
                  “Ik zou echt niet weten wat,” zei Brent zelfverzekerd. Zou hij er dan echt niets mee te maken hebben?
                  “David,” riep mevrouw Ten Catens, “kun je komen met de camerabeelden?” David kwam naar binnen en sloot een laptop op de televisie aan. Hij draaide de camerabeelden versneld af.
                  De tagger was onherkenbaar, geheel in het zwart gekleed en droeg een bivakmuts.
                  “Dat kan iedereen zijn,” zei Brent triomfantelijk en hij liet zijn dramatische Cillian Murphy imitatie zien.
                  De tagger krabbelde heel even onder zijn muts waardoor zijn rechterhand te zien was. David zette het beeld stil en zoemde in. Aan de ringvinger zat een ring, met hetzelfde design als de ring van Brent, een Surinaamse mattenklopper.
                  Zwijgend pakte mevrouw Ten Catens de rechterhand van Brent en keek naar zijn ring.
                  Vervolgens keek ze Brent strak aan.

                  “David, kunnen we na het zien van deze beelden concluderen dat de persoon in het filmpje Brent is?” vroeg ze terwijl ze Brents reactie bleef pijlen.
                  Voor het eerst was er paniek af te lezen op het gezicht van Brent. Ik dacht even terug aan de situatie van Angelo. Hoe loyaal zou David nu zelf blijven aan de taggers code nu hij tegenover zijn tante stond?
                  “Het enige wat ik kan vaststellen is dat de ringen op elkaar lijken, niet wie deze persoon is. Er zijn vast meer mensen met zo’n ring, zo bijzonder is dat design nou ook weer niet, tante Lydia,” zei hij geraffineerd. Hij glimlachte maar zijn blik was onzeker. De code had hij niet verbroken. Maar mevrouw Ten Catens kennende zou dit waarschijnlijk nog wel een staartje krijgen.
                  Brent opende zijn mond om iets te zeggen maar mevrouw Ten Catens snoerde hem meteen zijn mond.
                  “Stil jij. Je hebt je kans gehad. Ik heb het idee dat iedereen onder één hoedje speelt. Het wordt tijd voor een andere aanpak. Hans, kun je me assisteren? Begin maar met Martin. Niemand van jullie gaat hier de deur uit totdat de waarheid boven tafel is,” Hans pakte me bij mijn nek en duwde me naar de bank.
                  “Buig voorover Martin. Als je gaat tegenwerken gaat je broek omlaag, capiche?” waarschuwde Hans.
                  “Wat ga je doen?” De schrik sloeg me om het hart. Ik keek over mijn schouder en zag hoe hij zijn riem uit zijn broek trok. O shit. Foute boel.
                  “Nee, stop,” hoorde ik Brent roepen.
                  “Stil jij, kijk maar eens goed hoe je beste vriend van mij een pak rammel krijgt. Misschien helpt het je geheugen opfrissen.”
                  Met bonkend hart boog ik voorover en leunde op de bank. Dit kon toch niet waar zijn? Ik deed nerveus mijn ogen dicht en wachtte op de eerste klap.

                  “Stop Hans,” Het was de stem van David. “Hij weet niks. Niemand heeft Martin de laatste tijd gezien. Waar was je eigenlijk?”
                  “Thuis. Ik had een maand huisarrest, ik zei niet voor niets dat ik bijna niet buiten ben geweest.” “Doe hem alsjeblieft geen pijn,” smeekte Brent. Hij begon te huilen. De realiteit leek tot hem door te dringen. Ondanks zijn zorgvuldige planning was hij door een minuscuul foutje door de mand gevallen. Hij zat goed in de puree.
                  “Ik heb het gedaan. Straf mij, maar laat Martin erbuiten. Ik dacht echt dat ik niet herkend zou worden en er mee weg kon komen. Martin heeft er echt niets mee te maken, ik heb hem een maand niet gezien of gesproken.”
                  Brent werd naast me neergezet.
                  “Billen bloot en voorover buigen. En vlug een beetje,” commandeerde Hans.
                  Met trillende handen maakte Brent zijn broek los en deed wat Hans gevraagd had. “Werk mee anders krijgt Martin alsnog met mijn riem te maken, capiche?” zei Hans grimmig.
                  “Laat Martin erbuiten, teringhond! Jij vuile klootzak,” tierde Brent.
                  “Kop dicht onverlaat, ik zal je leren,”
                  Vervolgens was ik er voor de tweede keer getuige van hoe Brent er flink van langs kreeg. Hij veerde een paar keer overeind van de pijn maar ging zonder verdere tegenwerking terug in positie staan.
                  Ik vermoedde dat hij oprecht bang was dat Hans mij ook onder handen zou nemen. Hij mocht dan soms zelf wel dingen achterhouden of de waarheid verdraaien maar dat ging nooit ten koste van een ander.
                  “Weet je wat er terecht komt van mensen die het niet zo nauw nemen met de waarheid? Die belanden uiteindelijk in de gevangenis,” preekte Hans. “ En geloof me dat is echt geen pretje. Ik hoop dat mijn riem tot je doordringt en dit je stof tot nadenken geeft. De rest laat ik aan mevrouw Ten Catens over,”
                  “De waarheid komt altijd uit, neem dat maar van mij aan,” zei mevrouw Ten Catens. Ze liep door de kamer en pakte iets uit een kast. “Ik heb hier een paddle. Mijn haarborstel is slechts kinderspel in vergelijking met dit instrument. Je hebt me nog heel wat uit te leggen,
                  jongeman. Martin, ga maar naast Hans staan.”
                  Ze pakte Brent bij zijn arm en dirigeerde hem naar de leuning van de bank terwijl ik naast Hans ging staan.
                  “Ga over de leuning liggen. Zo ja. David, ik wil dat jij zijn armen vast pakt. Zorg ervoor dat hij blijft liggen. Brent hoe kwam je in vredesnaam op het idee om die afbeelding te maken?
                  Mij zo belachelijk te maken? En te denken dat je er ongestraft mee weg kon komen?”

                  David ging naast Brent zitten en pakte zijn polsen vast. “Blijf rustig,” zei hij zachtjes tegen Brent, “haal diep adem. Focus op je ademhaling.” Iets zei me dat David en de paddle geen vreemden van elkaar waren.
                  Mevrouw Ten Catens ging naast Brent staan en de houten paddle kwam hard neer op zijn achterwerk. Hij kreunde van de pijn.
                  “Ik wacht op antwoord, jongeman,”
                  Brent haalde een paar keer diep adem voordat hij antwoord gaf.
                  “Nou… omdat… ik was eerst nogal overstuur nadat ik hier die eerste keer was geweest. En…
                  ik voelde me gewoon beter toen ik weer even met de spuitbussen in de weer kon. Zo kwam die spotprent er dus een soort van uitgerold.”
                  De paddle kwam weer neer. Brent probeerde overeind te komen maar David hield hem stevig op zijn plaats.
                  “Hoe durf je mij zo belachelijk te maken? En er vervolgens ook nog glashard over te liegen?” Opnieuw sloeg ze hem met de paddle.
                  “Au…au…Het spijt me,” snotterde Brent. Keer op keer kwam de paddle neer. Zijn billen kleurden al snel donkerrood. Arme Brent, hij zou hier zeker weer dagen last van hebben. “Ik wil sowieso niet meer merken dat jij iets beklad waar het niet mag. En lieg nooit meer tegen mij, begrepen? Laat dit een belangrijke les voor je zijn. ”
                  “Ja, mevrouw Ten Catens,” snikte Brent.
                  “Dank je wel voor je hulp David, laat Brent nu maar los. Vanavond na het eten wil ik het met jou even hebben over hoe dit allemaal gegaan is vandaag,” zei ze met een waarschuwde klank in haar stem. Ze tikte een paar keer dreigend met de paddle tegen haar hand.
                  David knikte terwijl zijn wangen langzaam rood werden. De taggers code in ere houden had blijkbaar toch flinke consequenties voor hem.
                  “Brent, nog één ander dingetje. Volgens mij heb een wij inmiddels een afspraak over jouw taalgebruik.”
                  Mevrouw Ten Catens legde de paddle weg. Ze liep naar het dressoir en haalde de haarborstel tevoorschijn. Vervolgens pakte ze Brent bij zijn oor en trok hem mee naar het zitgedeelte van de bank.
                  “Nee… alsjeblieft …. niet ook nog die klote haarborstel,” smeekte Brent.
                  “Nog een woord dat ik niet wil horen. Onze afspraak is vrij helder, als ik jou hoor vloeken of schelden krijg jij een flink pak slaag met mijn haarborstel.”
                  Met een vloeiende beweging legde ze hem over de knie. Ze klemde haar been om het zijne en pinde zijn arm vast op zijn rug. Brent kon geen kant meer op. Met een hoog tempo kwam de

                  haarborstel neer op zijn gehavende billen. Het snelle tikkende geluid van de haarborstel en het gesnik van Brent deden haast pijn aan mijn oren.
                  “Weet je wat jij moet leren? Eerst eens tot tien tellen voordat je iets zegt. Dus de volgende slagen ga je netjes voor me tellen,” zei mevrouw Ten Catens streng. Snoeihard haalde ze uit met de haarborstel.
                  “Au… Één… twee…,” Brent hapte naar adem en reageerde niet meteen met drie. Mevrouw Ten Catens wachtte niet op Brent en sloeg een vierde keer. “Als je niets zegt dan telt het niet mee,” zei ze onvermurwbaar. Ik huiverde en hoopte vurig dat ik zelf nooit in zijn situatie terecht zou komen.
                  “Au…” snotterde hij, “drie… vier..” Na de resterende zes die hij keurig meetelde legde ze de haarborstel neer.
                  “Doe je broek maar omhoog en ga je excuses aanbieden bij Hans,” zei mevrouw Ten Catens.
                  Voorzichtig kwam hij overeind en trok zijn broek en ondergoed weer omhoog.
                  “Het spijt me, Hans,” zei hij bedeesd terwijl hij de tranen uit zijn ogen wreef.
                  “Meneer Bruinsma vind ik hier meer op zijn plaats,” bromde Hans.
                  “Het spijt me, meneer Bruinsma,” herhaalde Brent.
                  “Excuses aanvaard.”
                  Hans stootte mij aan. “Martin, help jij me even met wat te drinken pakken?” Hij pakte me bij mijn arm en we liepen de kamer uit.
                  “Heb je weer geluk hè, dat je niet onder handen bent genomen vandaag. Nou ja, driemaal is vast scheepsrecht,” zei Hans grinnikend. Hij nam de uitdrukking ‘het beste vermaak is leedvermaak’ wel heel letterlijk.
                  En natuurlijk zou ik nog een keer onder handen genomen worden en over de knie belanden, maar dat is een verhaal voor later.