Vlieland (2)

Bea en Wim praatten nog een hele poos na, nadat Robert vertrokken was. Ze waren blij dat Marjo alsnog iets om handen kreeg. Ze waren ook blij dat Robert had besloten voorlopig op Vlieland te blijven. Ze hadden beiden zijn ouders goed gekend. Bea en zijn moeder, Gerda waren zelfs dikke vriendinnen.

Bea was blij dat de voorspelling van haar oude vriendin uit zou komen. Gerda had iedereen verteld dat haar jongste zoon op het eiland thuis hoorde. Robert was zo één met Vlieland, had Gerda aan Bea verteld, dat zijn geest het eiland nooit verlaten had. Gerda zei dat ze diep in haar hart wist dat Robert op een dag terug zou keren. Ze had zijn aanwezigheid altijd in het pension gevoeld. In haar dromen zag ze hem door het huis scharrelen, een praatje makend met de gasten, het eten serverend, net zoals hij altijd gedaan had.

Wim had niet zoveel met al die beschrijvingen van de fantasieën van de dode vriendin van zijn vrouw, maar hij vond het aandoenlijk om te zien hoe ze glimlachte bij de dierbare herinneringen.

Toen Marjo de keuken binnenkwam was het tijd om het eten voor de gasten klaar te maken die Wim eerder die dag van de boot gehaald had. Alle drie staken ze de handen uit de mouwen om de klus te klaren.

‘Marjo meisje, hoe kwam je erbij om Robert mee te nemen naar huis?’, vroeg Wim tussen neus en lippen weg, terwijl hij zijn vrouw hielp het serviesgoed naar de eetkamer te brengen.

‘Ik kwam hem tegen op het strand, oom Wim’, antwoordde Marjo na een paar seconden. Zijn vraag verbaasde haar enigszins. Ze was enorm opgelucht dat Robert niet over haar brutale gedrag begonnen was, maar deze vraag had haar een gevoel van onzekerheid gegeven. Zou hij het dan toch aan haar oom verteld hebben en was dit de manier van haar oom om het ter sprake te brengen?

‘Ik wist niet dat je hem kende’, zei Wim met een licht vragende ondertoon.

‘Dat doe ik ook niet, hij was in de uitsparing tussen de duinen en we hebben een praatje gemaakt’, legde Marjo uit en hoopte dat ze geen tekst en uitleg over de inhoud van de conversatie zou hoeven geven.

‘OK’, knikte Wim met een knipoog. ‘Leuk om te horen dat je je voor de verandering eens sociaal opgesteld hebt.

Marjo kromp ineen toen ze dat hoorde, maar reageerde er verder niet op. Als haar oom wist dat ze zo onbeschoft had gedaan, dan moest hij daar zelf maar mee komen. En als hij dat niet deed, dan hoopte ze maar dat het tot het verre verleden behoorde voor hij er iets van zou horen.

‘Hij is een erg aardige vent zou ik zeggen, vind je niet?’, zette Wim het gesprek voort.

‘Zou best kunnen’, antwoordde Marjo en haalde wat onwillig haar schouders op.

‘Hij is van goede komaf. Ze wonen al generaties lang op het eiland’, legde Wim uit, alsof de familie de Jong van onbesproken gedrag zou zijn.

‘Zoals ik heb horen vertellen is hij er vandoor gegaan. Hij heeft zijn moeder alleen gelaten met al het werk in het pension en bij een man die onuitstaanbaar was’, bracht Marjo in tegen de goede referentie die oom Wim over Robert gaf.

‘De jongen is van het eiland afgegaan om te gaan studeren!’, nam Bea het woord. ‘Zijn moeder wilde dat hij dat zou doen. Hij is er echter pas heel laat toe gekomen omdat hij zijn moeder niet alleen wilde laten, als ik me goed kan herinneren. Hij wilde koste wat het kost hier blijven”.

‘Dat was pas nadat zijn vader het zat was dat hij iedere avond van kroeg naar kroeg trok om zich te bezatten, heb ik horen vertellen’, weersprak Marjo de verdedigende woorden van haar tante jegens de vreemdeling, die tot een uur geleden niet meer was dan een geest uit het verleden van het eiland.

‘Niets anders dan gemene roddel, Marjo. Ordinaire en gemene achterklap. Ik wil die woorden nooit weer horen in dit huis, heb je dat begrepen?’, zei Bea. In de toon in haar stem weerklonk ergernis.


’Weet je, ik wist tot voor kort alleen maar wat roddelverhalen over deze familie en om eerlijk te zijn ben ik in niet veel meer geïnteresseerd’, klaagde Marjo. Nu het onplezierig dreigde te worden, was ze de verhalen over Robert, zijn verleden en zijn familie helemaal beu. ‘Die man interesseert me eigenlijk helemaal niets als jullie dat maar weten!’


’Robert is een goed mens, Marjo. Je behandelt hem met respect, heb je dat goed begrepen?’, waarschuwde Wim.

Marjo reageerde niet op de waarschuwing van haar oom. In plaats daarvan hield ze zich stil en luisterde naar het prietpraat van haar oom en tante die druk waren met het dekken van de tafels.

Of ze op de geur van het eten afkwamen of op dit tijdstip waren uitgenodigd, Marjo wist niet wat de reden was, kwamen de gasten een paar minuten later de eetkamer binnendruppelen.


Vriendelijk gekeuvel over de dingen die op Vlieland gedaan en bekeken konden worden, namen de rest van de avond de plaats in van het gespreksonderwerp Robert de Jong. Marjo liet zich lui in de stoel aan het hoofd van de tafel bij het raam zakken. Als haar iets gevraagd werd gaf ze netjes antwoord maar voor de rest dwaalden haar gedachten over de in het schemer zwart lijkende Noordzee.

Een steeds terugkerende, bijna dwangmatige gedachte kwam telkens in haar hoofd op. Alle schaduwen, bootjes, vlonders, strandpalen leken de perfecte hoogte te hebben voor een man als Robert om op te gaan zitten met haar voorover over zijn knie getrokken of ze hadden de perfecte hoogte voor een meisje van haar postuur om er gebukt over heen te buigen. In beide gevallen was het eindresultaat hetzelfde, namelijk dat ze een pak op haar billen zou krijgen. Nooit eerder had Marjo dergelijke gevoelens of fantasieën gehad. Ze waren echter niet onplezierig, maar wel  verwarrend.


************


Eén van de mooiste momenten op Vlieland was om bij zonsondergang vanaf de duinen naar de haven te kijken. Het dorp op de voorgrond, de waddenzee op de achtergrond. De lucht kleurde ’s avonds vaak vermiljoen. De vissersboten vielen bij eb droog op het strand. In de slenken lagen soms vissen ten dode opgeschreven toen het water in het poeltje waar ze per toeval terecht gekomen waren, langzaam opdroogde. Anderen, die meer geluk hadden kronkelden door de slenken op weg naar het open water, hun vinnen staken boven het water uit, zodat ze net kleine haaien leken. Krabbetjes en andere schaaldieren bewogen zich tussen het drooggevallen zeewier op het strand. Na een paar uur zou de zee terugkeren en alles weer normaal worden.

Het getij hoorde helemaal bij het eiland, net zoals de lucht en de zee. Ze waren meer dan een toeristische attractie alleen. Ze zorgden voor een inkomen voor hen die uit de zee oogsten wat hij hen te bieden had. De getijden hadden ook een andere, destructieve kant. Dit was waarom Marjo en vele anderen er ambivalent tegenover stonden.

In de loop der jaren waren velen, zowel eilanders als toeristen verrast door de plotseling en snel opkomende vloed. Ze waren bij laag water de zeebodem opgelopen, op sommige plaatsen zelfs kilometers lang, om tot de ontdekking te komen dat ze vervolgens werden ingesloten door het opkomende water. Velen lieten op een dergelijke manier het leven.

Veel van de eilander mythes gingen over het getij, gestrande en zoek geraakte zeelieden en scheepswrakken. De wateren rondom de eilanden konden heel gevaarlijk zijn. Over de engte tussen Vlieland en Terschelling werd gezegd: ‘Als je een zuiver hart hebt, zal je niets overkomen, maar als dat niet zo is, kun je er beter uit vandaan blijven’.

Lang nadat ze het eten op hadden, bleven de gasten en gastheer en –vrouw aan tafel zitten. Ze praatten over het eiland, de haven en de zonsondergang. Marjo luisterde zwijgend totdat het te donker geworden was om nog door het raam naar buiten te kijken. Toen het helemaal donker geworden was, excuseerde ze zichzelf. Ze nam de vaat mee naar de keuken en begon aan de schoonmaak. Het laatste wat ze deed was het brengen van een kan hete chocolademelk en koekjes naar de tafel waar de gasten zaten.

Wim en Bea gaven hun nicht een nachtzoen en Marjo trok zich terug op haar kamertje. Robert de Jong vergezelde haar in haar gedachten. Hoe zou het zijn om voor hem te werken? Hij zag er in ieder geval aantrekkelijk uit.


********************
Toen het de volgende ochtend licht werd, was Robert al drie uren op. Hij maakte een lijst met dingen die opgeknapt moesten worden en die hij zelf ter hand zou kunnen nemen en een lijst met materialen die hij daarvoor nodig zou hebben. Hij was hier het grootste deel van de ochtend mee bezig. Tussen de middag zocht hij op internet naar prijzen en leveranciers. Verf en behang stelde niet zoveel voor, maar alle andere zaken zouden allemaal verscheept moeten worden vanaf de wal.


De volgende dag, keek Robert of er een handige vakman op het eiland te vinden was. Hij had het idee dat voor bepaalde klussen hulp noodzakelijk zou zijn.


Een kleine 48 uur nadat hij bij de van Veens zijn ruwe plannen besproken had zat Robert aan een voedzame maaltijd en overdacht zijn inmiddels uitgewerkte plan. Er waren nog wel wat kleine details waarin voorzien moest worden, maar niets zou de start nog hoeven te vertragen.

Hij zou Marjo eerst in de slaapkamers en badkamers aan het werk zetten. Eerst moest het oude behang  er afgestoken worden voordat het stukadoorswerk en de reparatie van de lambriseringen kon beginnen. Daarna moesten de hardhouten vloeren geschuurd worden, de oude ornamenten van de plafonds gerestaureerd en het linoleum in keuken vervangen. En dan nog maar te zwijgen van al het verf- en behangwerk wat zou moeten gebeuren.

Aan de buitenkant was er werk te doen aan de markiezen, de kozijnen en het dak. Dit diende te gebeuren voor de winter in zou treden en het te koud zou zijn om buiten te werken. Daarna zou het binnenwerk volgen. 


Het was maar een ruwe gok, maar als alles een beetje mee zat dan zou het pension zijn eerste gasten begin mei weer kunnen verwelkomen.

‘Laten we hopen dat kruidje-roer-me-niet even fanatiek is met werken als ze is met het geven van een grote mond’, grijnsde Robert terwijl hij de ketel pakte en vulde met water.

Hij nam het zware geëmailleerde materiaal van de oude kooktoestel in zich op terwijl hij aan de knop van het gas draaide. Al snel brandde het vuur onder de ketel. Hij vroeg zich af waar hij een geschikte vervanger voor dit toestel op de kop zou kunnen tikken.

Terwijl hij dat dacht liep Robert van de keuken naar de grote woonkamer. Hij vroeg zich af of het een groot karwei zou zijn om de afscheidingsmuur naar de eetkamer eruit te slopen. Beide kamers liepen langs de zuidoost muur van het huis en gaven een nostalgisch uitzicht op de haven. Waar de tussenwand nu stond scheidde hij de twee ramen met uitzicht op de haven. Tussen beide ramen zouden openslaande deuren niet misstaan en de uitbouw in de vorm van een serre zou de leefoppervlakte nog groter doen lijken.

Hij schreef zijn plannen op om ze later met een aannemer te kunnen bespreken.


*********************
Nadat er twee dagen verstreken waren sinds hun eerste ontmoeting en ze nog helemaal niets gehoord had van het baantje dat Robert beloofd had, begon Marjo onrustig te worden. ‘Als hij zich bedacht heeft en iemand anders voor dat baantje gevonden heeft, zou hij op zijn minst het fatsoen kunnen hebben om haar dat te vertellen’, dacht ze bij zichzelf.

Het was overduidelijk dat Marjo zat te popelen iets van Robert te horen. De middag na hun eerste ontmoeting rekende Marjo al helemaal op die baan. Een baan die haar de gelegenheid gaf veel in de buurt te zijn van de man die zulke verwarrende gevoelens bij haar teweeg bracht. Binnen de kortste keren wilde ze niets liever dan bij hem te zijn.

De eerste middag werd ze onrustig. De tweede dag ging er iedere keer als de telefoon ging een schok door haar heen. Iedere keer als het Robert niet bleek te zijn, voelde als een hevige teleurstelling. Tegen de avond van die dag was ze flink chagrijnig.

Toen ze het avondeten aan het bereiden waren, merkte Wim haar humeur op. Hij vond dat de gasten niet hoefden te lijden onder het humeur van haar gastvrouw. Als Marjo zich niet op heel korte termijn zou herpakken, dan zou hij passende maatregelen nemen om te zorgen dat ze weer wat vriendelijker zou doen.

‘Is er iets, Marjo?’, vroeg hij nadat ze voor de derde keer in korte termijn de besteklade met een luide knal dicht had geslagen.

‘Nee!’, Marjo’s antwoord was korzelig en afgebeten.

‘Ik wil die toon niet van je horen!, waarschuwde Wim.

Omdat ze de onweersbui zag ontstaan, ging Bea zich ermee te bemoeien in een poging het naderende onheil af te wenden. ‘Marjo, leg waar je mee bezig bent even aan de kant en loop even naar de kelder om cranberry’s te halen als je wilt’.

‘Er staan nog cranberry’s in de koelkast’, met een arm beweging naar de koelkast en een boze stamp met haar voet op de grond weigerde Marjo aan het verzoek te voldoen.

‘Ik weet dat daar ook nog staan, maar ik heb meer nodig’, gaf Bea weerwoord en probeerde haar eigen irritatie vanwege Marjo’s gedrag weg te slikken zodat ze geen verdere voeding gaf aan Wims oplopende ergernis.

‘Waarom haal je ze zelf niet?’, zuchtte Marjo terwijl ze haar mes neerlegde en sjokte naar de kelderdeur sjokte.

Bea draaide zich om haar een directe opdracht te geven, maar hield zich stil toen ze zag hoe Marjo wegslenterde om te doen wat haar gevraagd was.

‘Denk een beetje om je houding, meisje!’, waarschuwde Wim.


Marjo trok een lang gezicht naar hem en mompelde wat bijvoeglijke naamwoorden terwijl ze het trapje van de kelder afstommelde. Ze was bijna beneden, toen Wim haar wat achterna riep.

‘Doe de deur achter je dicht! Het is koud in de kelder en dat wil ik graag zo houden!’, foeterde hij.

‘Ja, zo meteen’, riep Marjo terug. ‘Zeurpiet’, voegde ze er in zichzelf aan toe.

‘Nu!’, bulderde Wim naar beneden.

‘Ik ben zo weer boven! Houd je gemak een beetje!, schreeuwde Marjo terug, terwijl ze mopperend langs de schappen in de kelder liep. ‘Argh! Verdomde tiran! Wat doen die vijf seconden er nu toe?’

Wim hoorde het lage binnensmonds gepruttel door de vloer heen. Hij schudde zijn hoofd. Het was een jaar of vier, vijf geleden toen ze zich ook altijd zo gedroeg. Toen waren de consequenties van dergelijk gedrag heel gemakkelijk. Nu ze negentien was, was het minder eenvoudig. Maar dat ze er niet te oud voor was, dat was wel zeker. Voor Wim was geen enkele vrouw te oud voor een stevig pak op haar billen. Hij had gedacht dat ze nu te oud was voor een pak slaag van haar opvoeders en dat het volgende stadium een taak was voor haar toekomstige echtgenoot.

‘Als je zo door gaat, dan zal ik zorgen dat je daar straks erge spijt van krijgt, jongedame!’, riep Wim bij de openstaande kelderdeur.

‘Kom Wim, ze is een volwassen meid, met veel dingen aan haar hoofd op dit moment’, zei Bea zachtjes tegen haar man.

‘Ga je dit gedrag nog vergoeielijken ook?’, Wim draaide zich om naar zijn vrouw.

Bea glimlachte. ‘Nee schat, ik zeg alleen maar dat iedereen menselijke trekjes heeft, zelfs jij’.

Wim gromde en keerde terug naar de mosselen die hij van hun schaal ontdeed voor de vissoep.

Marjo kwam weer naar boven en gaf haar tante een metalen schaal met cranberry’s. ‘Zijn dit genoeg?’, vroeg ze.

’Hartstikke goed, liefje’, zei Bea en liep met de schaal naar de spoelbak. ‘Oh jee! Ik zie een paar die er niet helemaal goed meer uitzien. We moeten ze morgen allemaal even nakijken en vervolgens inmaken voor we straks alles kunnen weggooien’.

Marjo kreunde. Ze had een hekel aan inmaken.

‘Waarom ga je niet even bezig met de salade’, zei Bea, om te voorkomen dat Marjo openlijk haar kop in de nek zou gooien.

Marjo haalde haar schouders op en begon de ingrediënten te verzamelen die ze voor de salade nodig had. Ze zocht een grote schaal, een snijplank en een groot mes. Vervolgens de olijfolie, azijn, zout en peper. Ze zette alles klaar op het aanrecht en liep vervolgens naar de koelkast.


Terwijl ze heen en weer liep tussen de koelkast en het aanrecht, keek Wim op van zijn werk naar wat ze aan het doen was. ‘Kijk nou wat je doet!’, bromde hij.

‘Wat?”, Marjo bleef staan en keek naar het aanrecht waar ze de spulletjes neergezet had.

‘Eerst de kelderdeur, nu de deur van de kast en de koelkast!’, mopperde hij.

‘Wat?’, herhaalde Marjo, ze had momenteel al een kort lontje en nu begon haar oom ook nog te zeuren over allerlei pietluttige details.

‘Je verspilt allemaal energie op deze manier en wie weet wat er nog meer gebeurt als je de warmte toelaat bij al die dingen die koud bewaard moeten worden!’, bulderde Wim. Zijn irritatie begon te groeien omdat hij deze dingen al minstens honderd keer gezegd had.

‘Oh, houd daar toch mee op, oom Wim! Wat aan flauwekul! Bovendien ben je zelf constant aan het verspillen’, sprak Marjo tegen.

‘Houd je grote mond een beetje! Je bent niet te oud om een wandelingetje met me te maken naar de schuur’, sprak Wim koeltjes en draaide zich om, pakte de grote pollepel waarmee hij in de soep aan het roeren was en zwaaide daarmee in de richting van Marjo. De soep spatte in het rond. Bea en Marjo moesten hier beiden om lachen.

Wim vroeg zich af waar de vrouwen zo om lachten. Hij raapte zijn waardigheid weer bij elkaar en pakte een mop om de troep op te dweilen. ‘Noem mij maar eens één ding dat ik in dit huis verspild heb’, mompelde hij terwijl hij stond te poetsen.

Marjo gooide de koelkast met een knal dicht en gooide een citroen op de snijplank voor ze antwoordde. Ze voerde een innerlijke met haar redelijke zelf. Die laatste verloor de strijd.

‘Je verspilt veel te veel woorden, oude man!’, siste ze.

Bea sperde haar ogen open. Hier was geen redden meer aan. Het meisje stond er nu alleen voor.

Wim kreeg een erg donkere gezichtsuitdrukking. Marjo realiseerde zich al voor ze de woorden had uitgesproken dat ze te ver was gegaan. Ze had geen idee wat er met haar aan de hand was, maar de enorme onrust in haar, die iedere keer als de telefoon ging, groter werd, deden de situatie escaleren.

‘Eruit! Nu!’, bulderde Wim. Hij wees naar de deur. Het was een oud en bekend ritueel. Het was een tijd niet toegepast, maar het was bekend genoeg. Dit gebaar betekende dat ze zich naar de schuur moet bewegen.

‘Geen sprake van!’, weigerde Marjo te gehoorzamen. Koppigheid deed haar stokstijf stilstaan met haar kin in de lucht.

Wim deed twee stappen in haar richting. Marjo deinsde achteruit, maar merkte dat ze geen kant op kon. Ze stond opgesloten in de hoek tussen de koelkast en het aanrecht. Hij had de pollepel in zijn hand en zwaaide ermee om zijn woorden kracht bij te zetten.

‘Je doet wat ik je zeg!’, sprak hij rustig. ‘Als je denkt dat je me kunt weerstaan, zul je daar erg veel spijt van krijgen’.

‘Maar oom Wim’, sputterde Marjo tegen. Spijt, boosheid en angst hadden zich van haar meester gemaakt.

‘Spreek me niet tegen, meisje! Doe wat ik je zeg!’, herhaalde Wim.

‘Nee! Dat kunt u niet doen! Daar ben ik veel te oud voor!’, sprak Marjo tegen. Ze kromp ineen. Ze kende haar oom maar al te goed. Hij zou zich niets van haar leeftijd aantrekken.

‘Ik neem aan dat je ook te oud bent om je als een klein kind van 10 gedragen?’, hoonde Wim.

‘Dat deed ik niet!’, probeerde Marjo een laatste strohalm te grijpen.

‘Eruit! Nu!’, Wim deed een stapje aan de kant om haar de kans te geven eieren voor haar geld te kiezen.

‘Nee! Dat kunt u niet doen!’, herhaalde Marjo.

‘OK, dan moet het maar anders’, Wim pakte haar bij haar arm en duwde haar met haar gezicht naar de koelkast. Hij duwde haar bovenlichaam er overheen.

‘Wim, niet hier, de gasten?’, bracht Bea voorzichtig in.

‘Wou jij soms een zelfde behandeling, vrouw?’, was het enige antwoord van Wim op de bemoeienis van zijn vrouw.

Wetend dat verder praten geen zin had, liep Bea de keuken uit en zorgde er voor dat de deuren van de keuken naar de gang en de eetkamer goed dicht waren. Gelukkig bevond de keuken zich aan de andere kant van het huis dan de woonkamer en de slaapvertrekken. Op dit moment was er niemand in de buurt zie zou kunnen horen wat de gastheer met zijn nichtje zou gaan doen.

Marjo probeerde zich uit de greep van haar oom los te worstelen. Zonder succes. ‘Alsjeblieft, oom Wim, ik ben hier te oud voor. Alsjeblieft!’, smeekte ze.

‘Dus jij voelt je hier te groot voor? Ik zal je leren je niet als een klein kind te gedragen!’, beantwoordde hij haar smeekbedes en liet de pollepel met een droge klets op haar corduroybroek neerknallen.

‘Auw!’, gilde Marjo, terwijl ze worstelde om weg te kunnen komen.

‘Laat maar zitten, je kunt toch niet loskomen!’, zei Wim en het klonk als een voldongen feit. ‘Doe je broek naar beneden!’

‘Auw! Nee!’, jammerde Marjo en begon nog harder te stribbelen.

Voor een man van in de zestig, had Wim er verrassend weinig moeite mee het meisje onder controle te houden. Wim liet weer vijf hele harde klappen neerdalen en herhaalde toen zijn order. Eén van de klappen kwam op de knokkels van Marjo terecht toen ze naar achter greep om de klappen af te weren. Marjo liet een dierlijk gehuil horen.

‘Stop! Niet meer!”, smeekte ze.

‘We zijn nog niet eens begonnen, meisje en we beginnen ook nog niet totdat je je broek naar beneden gedaan hebt’, zei Wim met een waarschuwende grijns.

‘Jij kloo…. Auw!’, gilde Marjo, toen Wim een paar kletsen op de achterkant van haar bovenbenen gaf.

“Als ik die taal nog een keer van je hoor, dan laat ik je een zwiepende tak afsnijden nadat ik je mond met zeep uitgewassen heb. En nu doen wat ik je zeg! Broek! Nu!’, Wim zette de laatste woorden kracht bij met een paar kletsen die Marjo opnieuw wanhopig deden stribbelen.

‘Auw! Nee! Alsjeblieft’, huilde ze.

Nog vijf keer daalde de pollepel neer. ‘Weet je zeker dat ik hiermee door moet gaan?’, waarschuwde Wim.

‘Nee!’, Marjo kronkelde en probeerde met haar bovenlichaam van de koelkast af te glijden.

Wim begon nu ritmisch op haar billen te slaan. Marjo smeekte en schopte met haar benen, maar was niet in staat haar straf te laten ophouden.

‘Denk je nog steeds dat je het allemaal beter weet, meisje?’ Wim sprak haar streng toe tussen de klappen door. ‘Je bent bont en blauw en je werkelijke straf is nog niet eens begonnen. Het lijkt me dat je het allemaal vaak genoeg beleefd hebt.

‘Asjeblieft! Ophouden’, klaagde Marjo.

‘Je weet wat je te doen staat, meisje! Er is in vergelijking met de afgelopen jaren niets veranderd’, zei Wim afgebeten.

Marjo stampte met haar voet en begon wanhopig te gillen. ‘Je bet een gemene ouwe kloo… Auw!’, Wim smoorde het scheldwoord in de kiem. Marjo’s benen begonnen te trillen van de inspanning van het schoppen en de verschrikkelijke pijn die de pollepel op haar bips deed.

‘OK! OK! Ik zal het doen! Stop even! Alsjeblieft, even stoppen!’, smeekte Marjo terwijl ze onder zich greep om de knoop en de rits van haar broek los te maken. Nadat ze de rits naar beneden gedaan had, keerde het verzet terug. Ze stampte met haar voet om duidelijk te maken dat ze het er niet mee eens was. ‘Je kunt dit niet met me doen!’

Wim had er schoon genoeg van. Het was bijna tijd dat de gasten zich in de eetzaal zouden verzamelen en dan moest hij klaar zijn met dit klusje. Hij haakte zijn vingers achter de band van haar broek en het elastiek van haar onderbroekje en trok ze met een ruk naar beneden. Hij deed ze ver genoeg naar beneden om haar billen bloot te maken en verstevigde vervolgens zijn greep om verder te kunnen gaan.

Op haar billen was een patroon zichtbaar van rode bladeren van een bloem, hier en daar waren blauwe plekken zichtbaar. Toch was Wim van menig dat het echte pak slaag nog niet eens begonnen was.

‘Ok, Marjo, vijfentwintig voor brutaal zijn, vijfentwintig voor vloeken en vijftig omdat je niet meewerkte. En de eerste vijfentwintig en de laatste tien meetellen, jij!’

‘Oh God! Eén!’, gilde Marjo. ‘Twee’, huilde ze toen de volgende neerkwam.

Wim toonde geen medelijden met de vijfentwintig die ze mee moest tellen. Toen deze portie erop zat, ging het tempo van het pak slaag omhoog. Marjo’s geschreeuw kon de klappen niet bijhouden. Ze was helemaal vergeten hoe zeer een pak op haar blote bips kon doen. Toen ze uiteindelijk bij de laatste tien aankwamen, die gelukkig snel voorbij waren. Tegen die tijd was het verzet van Marjo volledig gebroken.

Toen haar oom haar losliet, kwam ze langzaam overeind en deed haar broek weer omhoog. Ze weigerde te huilen en hem te laten zien dat het pijn deed. Marjo keek liever de vloer in plaats van in het gezicht van haar oom. Pruilend liep ze bij hem vandaan.

‘Heb je genoeg gehad?’, vroeg Wim haar. Marjo knikte. ‘Ga je je nu goed gedragen?’ Marjo knikte nogmaals. ‘OK, terug aan je werk dan!’

Het avondeten verliep vreedzaam. Marjo was stilletjes, maar dat was niet ongebruikelijk. Het enige wat de gasten mogelijk vreemd gevonden hebben, was de weigering van Wim toen Marjo na het eten vroeg of ze van tafel mocht. Maar als het al iemand opgevallen was, begon niemand erover en bleef de sfeer aangenaam.

Ook de avond ging rustig voorbij. Bea serveerde chocolademousse met cranberrycompote om een uur of acht. Daarna gingen de gasten spelletjes doen of keken naar de televisie. Net toen Marjo zichzelf wou excuseren om naar bed te gaan, ging de telefoon.

Bea stond op om hem op te pakken.

‘Voel je je nu beter, meisje?’, vroeg Wim zachtjes aan Marjo.

Marjo knikte, maar gaf geen antwoord.

‘Wat was er toch met je aan de hand?’, wilde Wim weten.

‘Marjo, Robert de Jong voor je’, riep Bea vanuit de keuken.

Marjo’s hart klopte in haar keel. Ze keek haar oom aan, die haar met een hoofdknik toestemming gaf van tafel te gaan.

**************

‘Hallo?’, zei Marjo in de telefoon.

‘Hallo daar’, klonk Roberts stem aan de andere kant van de lijn. Ben je er nog steeds voor in om voor me te komen werken?’

‘Ik dacht dat je van gedachten veranderd was. Je hebt lang niets van je laten horen’, zei Marjo koeltjes.

‘Ik had eerst nog wat werk te doen. Kom je, of niet”, antwoordde Robert al even koel.

‘Daar moet ik even over nadenken’, antwoordde Marjo.

‘Geen probleem. Vergeet het maar. Ik zet wel een advertentie. Er is vast wel iemand op Vlieland die het wil doen. Leuk je gesproken te hebben, wijsneus’. In Roberts antwoord had zowel geamuseerdheid als irritatie doorgeklonken.

‘Nee! Wacht even!’, zei Marjo snel. ‘Verdomme, dat hij mijn bluf zo snel door had’, dacht ze bij zichzelf.

‘Wachten?’, vroeg Robert.

‘Misschien doe ik het’, Marjo probeerde onverschillig te klinken, zodat hij niet zou merken hoe graag ze het baantje wilde hebben.

‘Nee, laat maar, ik heb liever iemand die er zin in heeft’. Goedenavond verder, doeg!’, zei Robert en maakte aanstalten om op te hangen.

‘Stop! Ik zei toch, wacht even!’, Marjo verhief haar stem en stampte uit boosheid met haar voet op de grond. ‘Ik wil die baan hebben.  OK? Ik wil die baan!’

‘Je klinkt helemaal niet als iemand die dat baantje graag wil hebben’, Robert probeerde over te komen alsof hij in verwarring was over het antwoord.

‘Ik zei je toch dat ik die baan wilde hebben? Ik zeg nooit dingen die ik niet meen!’, Marjo haar stem ging een octaaf onhoog en nam zo in volume toe dat haar oom en een paar gasten opkeken om te zien of er iets aan de hand was.

Robert begon aan de andere kant van de lijn te lachen.

‘Wat is er zo grappig?’, wilde Marjo weten.

‘Jij!’, antwoordde Robert eerlijk. 7 uur morgenochtend. Neem kleding mee die vies mag worden. OK?’

‘7 uur!’, Marjo gilde of ze weer op haar billen geslagen werd. Weer gingen een aantal ogen in haar richting.

‘7 uur’, bevestigde Robert.

‘OK’, siste Marjo. ‘7 uur’.

‘Oh en Marjo?’, zei Robert vragend.

‘Ja?’, antwoordde Marjo.

‘Als je het humeur dat je nu hebt, morgen hier mee naar toe neemt, dan hebben we snel ons eerste werkgever, werknemer conflict, Is dat duidelijk?’, waarschuwde Robert.

Marjo gaf geen antwoord, omdat het volgende dat ze hoorde de klik was die de verbinding deed verbreken. Ze voelde de boosheid in haar opkomen. Het is dat haar oom haar met een koele blik aankeek, anders zou ze een hele serie vloekwoorden de kamer ingeslingerd hebben.

Het duurde een uurtje om de keuken op te ruimen. Bea was heel benieuwd naar Marjo’s nieuwe baantje, maar Marjo gaf er de voorkeur aan de stilte van haar kamertje op te zoeken om na te denken.

Haar bips klopte in haar broek, maar in plaats van dat het hinderlijk was, maar deze keer gaf het haar deze keer in combinatie met de waarschuwing van Robert aan het eind van het telefoongesprek, een soort elektrische spanning. Opnieuw moest ze er aan denken hoe Robert haar een pak op haar billen zou geven. Op de één of andere manier was de herinnering hoeveel pijn zoiets kon doen al weer verdwenen en wond de gedachte haar op.

Vlieland (1)

De schreeuwende meeuwen maakten Robert al vroeg wakker. Voor de verandering was hij uitgeslapen die morgen. De afgelopen drie weken waren erg hectisch geweest, hij had niet veel geslapen en wanneer hij dat wel deed, voelde hij zich niet uitgerust wanneer hij zijn bed uit rolde. De begrafenis van zijn moeder was nu vier dagen geleden en afgezien van een paar telefoontjes in de afgelopen twee dagen hadden de dorpelingen hem eindelijk met rust gelaten.

Robert was verbaasd over de herinneringen die de geuren in het huis teweeg brachten. De herinneringen die eens zo pijnlijk waren, voelden nu een stuk milder aan. De oude boosheid maakte plaats voor weemoed nu zijn moeder er niet meer was en de goede herinneringen waren een stuk sterker nu hij alleen in het huis was. Het huis had veel achterstallig onderhoud, maar was nog steeds sfeervol. Het uitzicht over de schuimkoppen van de Noordzee waren nog even biologerend als ze altijd waren geweest. Aan de westkant van het huis lag een stuk grond met struikgewas en bomen. Er groeiden cranberry’s en jeneverbessen. Er liep een zandweggetje naar het dorp waar de vissersboten in de haven lagen. Er stonden veel houten huisjes. Velen wit geverfd, anderen in diverse Oudhollandse tinten.


Eigenlijk was hij helemaal niet van plan hier ooit terug te keren. Hij had zichzelf plechtig beloofd nooit meer voet op het eiland te zetten. Maar toen hij hoorde dat zijn moeder erg ziek was en weigerde haar huis te verlaten om in medische verzorging te voorzien, had hij zijn spullen gepakt en was terug naar huis gegaan. Voor jonge mensen, die de uitdagingen van de wijde wereld wilden ontdekken, viel het leven op Vlieland viel niet mee. Robert keek dan ook ambivalent terug op zijn jeugd op het eiland.

Een deel van de eilandbevolking verdiende de kost met vissen het andere deel was in het toerisme werkzaam. De helft van de bevolking genoot in de periode van oktober tot april een uitkering. De gemeenschap op het eiland was klein en erg op elkaar betrokken. Mensen wisten alles van elkaar en iedereen bemoeide zich met de kinderen. Er heersten strenge waarden en normen. En hoewel de kinderen veel ruimte hadden om op het eiland rond te dolen, was er weinig ruimte om de grenzen te verleggen. Er was op het eiland niets te doen voor mensen in de leeftijd van 16 tot 60 jaar afgezien van werken, eten en slapen.


Zijn familie had een pension ‘Zeezicht’, dat goed bekend stond dankzij zijn moeders kookkunsten. Verder had ze aan de andere kant van het terrein een klein winkeltje waar ze allerlei souvenirs verkocht. Het geheel werd door moeder en kinderen gerund, terwijl hun vader wat verdiende met vissen en soms met rondrijden van toeristen.

Robert was de laatste van de kinderen die het huis uit ging. Hoewel ze tot de meest welgestelde mensen van het eiland behoorden was dit te danken aan dag en nacht hard werken en de onredelijk hoge eisen van een vader die vond dat niks vanzelf kwam en niets voor niets was. Zijn vader was een veeleisende en compromisloze man. Alle broers en zussen van Robert waren uiteindelijk tegen hem in verzet gekomen. Ze waren allemaal naar de wal getrokken om een leven op te bouwen, zich afsluitend voor hun ouders en voor elkaar, in een wanhopige poging de verstikkende sfeer van het eiland te vergeten.

In het jaar dat Robert dezelfde keus maakte werd het bijzonder moeilijk met zijn vader. Zijn moeder was gedwongen om in de zomermaanden hulp in te huren voor de huishouding en de keuken. Dit leidde tot veel gezeur dat de kosten die hiermee gemoeid waren, een verspilling waren. Robert fungeerde als een buffer voor zijn moeder iedere keer als er weer woorden waren over verspilling en betrouwbaarheid.

Deze gevechten vonden nagenoeg dagelijks plaats, zelfs nadat het toeristenseizoen al voorbij was. De druppel die de emmer deed overlopen kwam op de dag na zijn achttiende verjaardag, toen zijn vader met de mattenklopper op hem afkwam. De ruzie was begonnen zoals alle anderen. Het ging om een klus in het huis die nog moest gebeuren. Maar op een gegeven moment veranderde hun gespreksonderwerp zich naar het beperkte leven van Robert buitenshuis en begon zijn vader te zeuren over ‘rondhangen’ en het drinken van bier als onderwerp kreeg. Zijn vader had geen kans gekregen om ook maar één klap met de mattenklopper uit te delen. Robert had deze hem afhandig gemaakt. Uiteindelijk werd de kloof tussen beiden steeds dieper.


In zijn examenjaar op de middelbare school, kreeg Robert het advies om aan de universiteit te gaan studeren. Het eerste jaar liet hij die kans lopen omdat hij zijn moeder niet met al het werk en met zijn vader wou opschepen. De laatste herfst en winter op het eiland hadden hem echter van gedachten doen veranderen. Het volgende collegejaar was hij vertrokken.


Zijn moeder had hem ook aangemoedigd zijn dromen waar te maken. Ze overtuigde hem er ten slotte van dat ze zich best zou redden toen ze hem haar appeltje voor de dorst liet zien. Verder rekende ze hem voor dat ze het pension niet open hoefde te houden omdat het geld dat ze in het winkeltje verdiende samen met de inkomsten van het vissen en de zeewier voldoende was om van rond te komen. Ondanks dat wist Robert dat ze het pension toch wel open zou houden.

Een studiebeurs en een paar parttime baantjes waren voldoende voor Robert om de zes jaar durende studie door te komen. Hij studeerde uiteindelijk af in de Nederlandse taal. Al die jaren had hij alleen telefonisch contact met zijn moeder onderhouden. Robert had zijn vader nooit meer gesproken sinds de dag dat hij het eiland verlaten had. In de afgelopen negen jaar was hij maar één keer naar Vlieland teruggekeerd, na de plotselinge dood van zijn vader.

‘Die ouwe was een enorme klootzak’, dacht Robert bij zichzelf, toen hij zich losmaakte van zijn dagdromen en naar de keuken ging om koffie te zetten.

Geen van zijn broers en zussen was naar het eiland gekomen toen zijn vader begraven werd. En het had erop geleken dat ze het eiland niet snel genoeg konden verlaten toen zijn moeder een paar dagen geleden begraven was. Toen het testament voorgelezen was en gebleken was dat het pension aan Robert nagelaten was, wisten ze niet hoe snel ze Vlieland moesten verlaten.

Er stonden geen verrassingen in het testament en er waren geen scheve ogen tussen de broers en zussen. Robert was de enige die nog contact had gehad met zijn ouders, hoe minimaal ze ook waren. En, gezien de staat van onderhoud vertegenwoordigde het pension geen grote waarde meer.

Daar was hij dan. Alleen in het grote huis, zich afvragend hoe het verder moest gaan.


Toen hij dat zijn moeder ziek was, pas een week of vier geleden, had hij een heel semester vrij genomen van de middelbare school in Den Haag waar hij de laatste vier jaar gewoond en gewerkt had. Niemand had kunnen voorzien dat ze al zo snel zou overlijden. En nu was hij hier en had een heel vrij semester voor zich.

Hij zou het huis kunnen ontruimen en terug kunnen keren naar Den Haag. Het zou geen probleem opleveren zich te melden bij de rector. Hij zou zijn lessen zo terug kunnen krijgen. Maar iets weerhield hem daarvan. Hij besloot nog een poosje op Vlieland te blijven. Hij worstelde de afgelopen dagen met een steeds terugkerende gedachte. Hier blijven? Het pension opknappen en heropenen? Alle vrouwen die producten hadden aangeleverd voor het winkeltje uitnodigen?


***********

Na het ontbijt, trok hij een trui aan en liep het pad af naar het strand. Zijn wandeling bracht hem naar het noordoostelijk deel van het eiland. Het was een heldere september ochtend. De wind van de Noordzee begon al koud te worden, maar de najaarszon gaf toch nog een aangename warmte. In de beschutting van de duinen was het zelfs te warm voor een trui, maar op het strand, aan het water, zonder beschutting, kon de zon het niet meer winnen. Robert gaf de voorkeur aan het strand boven de warmte, zodat het een verfrissende wandeling werd.


Nadat hij een paar kilometer gelopen had, kwam hij bij een uitsparing in de duinen die hij zich nog goed kon herinneren. Bovenop de duin stond pension ‘Zeelucht’. Als kind had Robert daar veel middagen weggebracht, buiten het gehoorsveld van zijn overheersende ouders en weg van de eeuwige klusjes.


In gedachten verzonken liep Robert de uitsparing in de duinen in en ging zitten kijken naar het spectaculaire spel van de zeemeeuwen boven de branding. Af en toe stak een zeehond zijn kop vanuit de golven omhoog. De wind, de vogels en het geluid van de branding vulden zijn bewustzijn. De tijd gleed voorbij zonder dat hij er erg in had.

‘Hee, wie ben jij?”. De stampende voetstappen op de vlonders achter hem versterkten de onvriendelijke woorden. Robert schrok zich een hoedje en werd ruw weggerukt uit dromenland.

Met een ruk draaide hij zich om. De dader was een meisje. Ze stond met haar armen over elkaar en een donkere uitdrukking op haar gezicht. Aan de andere kant deed haar postuur vermoeden dat ze niet veel meer dan een vlieg kwaad zou kunnen doen. Robert kon een grijns niet onderdrukken en zijn hartslag werd weer normaal. “Pittig, maar aandoenlijk’, dacht hij bij zichzelf.

‘Robert de Jong’, antwoordde hij, ‘En wie ben jij?’

‘Wat doe je hier?’, het meisje negeerde zijn vraag.

‘Ik zit mijn tijd hier een beetje te verdoen. En jij?’, grijnsde Robert vriendelijk.

‘Dit is eigen terrein. Je kunt het beste in beweging komen en maken dat je weg komt’. Haar stem klonk uitdagend.

‘Dit is openbaar terrein voor zover ik weet. Is ook altijd zo geweest trouwens. Robert beantwoordde haar toontje door beslistheid in zijn stem door te laten klinken. Iets in haar doen en laten had zijn interesse gewekt.

‘Jullie verdomde toeristen! Dit is privé-terrein. En nu maken dat je wegkomt of ik waarschuw de politie’, waarschuwde ze.


’Is dat zo?’, nam Robert haar uitdaging aan. Zijn interesse in deze brutale meid was nog verder gewekt. Hij koos ervoor om in haar spelletje mee te gaan. ‘Vertel me dan maar eens wanneer ze hebben veranderd dat dit openbaar terrein was?’

‘Wat weet jij daar nou van?’, luidde haar weerwoord.

Robert moest toegeven dat ze doorzettingsvermogen had, ze gaf geen millimeter toe. En hij ook niet. ‘Ik weet dat omdat ik hier geboren en getogen ben’, hij zag haar gezichtsuitdrukking veranderen.

‘Leugenaar! Ik ken alle eilanders en ik ken jou helemaal niet!’, haar antwoord was een nieuwe uitdaging.


Robert liet zich achterover zakken en nam het onvriendelijk meisje van top tot teen op. Hij zorgde ervoor dat zijn blik een mengeling van geschoktheid en vaderlijke strengheid uitstraalde. Ze kon niet veel ouder zijn dan een jaar of twintig. Ze was klein van postuur maar met rondingen op de juiste plaatsen. Haar vlasblonde haar was samengebonden in een staart die op haar rug hing. Ze had de bleke huid en het postuur van de van Veens, maar Robert herkende haar niet als één van de nakomelingen van Wim.


De stilte die volgde op de beschuldiging van het meisje dat Robert een leugenaar was, hing nog steeds in de lucht en werd ongemakkelijk. Robert hield de strenge lerarenblik op zijn gezicht en keek geamuseerd toe hoe ze hem op nam. Ze had niet een harde blik in haar ogen. De combinatie van haar aantrekkelijke voorkomen en pittige optreden had een invloed op hem die hij nog nooit eerder ervaren had. Hij kon de gedachte niet onderdrukken dat hij haar tegelijkertijd zou willen kussen en haar een paar flinke klappen op haar billen zou willen geven.


Na een minuutje doorbrak Robert de stilte.

‘Als ik jou was zou ik een beetje uitkijken wie ik een leugenaar zou noemen. Jij bent degene die van de vaste wal komt, jongedame, niet ik. Ik heb je verteld hoe ik heet, het zou prettig zijn als je hetzelfde zou doen’, sprak hij koeltjes. Hij moest inwendig glimlachen toen hij zag dat ze rood werd tot achter haar oren. ‘Zo’, dacht hij, ‘Ze voelt zich beschaamd als ze toegesproken wordt als een brutaal klein meisje. Van binnen weet dit meisje heel goed het onderscheid tussen beleefd en brutaal. Een klein meisje wat heel goed weet dat ze zich anders behoort te gedragen’. Robert liet met een heimelijke glimlach zijn woorden goed tot haar doordringen. ‘Misschien is ze wel een brutaal meisje, dat graag wil dat iemand haar manieren bijbrengt’, zijn gedachten dwaalden af naar een plaats waar hij zelden toestond dat ze daarheen gingen.

‘Deze duinpan is van mijn oom. Je bent dus op verboden terrein. Ik stel dus voor dat je je kont uit het zand verheft en vertrekt’, het antwoord van het meisje had nòg uitdagender geklonken. Ze was er niet zeker van of ze dat rare kriebelende gevoel dat ze in haar buik voelde, wel aangenaam vond. Ze voelde zich tot zich aangetrokken tot deze vreemdeling die zei een eilander te zijn en was tegelijkertijd een beetje bang van hem. Hij straalde zelfvertrouwen en autoriteit uit en tegelijkertijd was er iets vriendelijks in zijn ogen.


’Aan je gedrag te oordelen, zou ik zeggen dat je inderdaad een eilander bent’, knikte Robert afkeurend, terwijl hij opstond en het zand van zijn corduroybroek klopte. ‘Maar als je het nichtje bent van Wim van Veen, dan weet ik dat je onvriendelijkheden de nodige gevolgen zullen hebben. Van wie van de broers ben jij er eentje?’

‘Gaat je niks aan’, de toon in haar stem veranderde bijna onhoorbaar. Ze had er absoluut geen behoefte aan dat deze man haar gedrag met haar oom zou bespreken. ‘Bemoei je met je eigen zaken, maar doe dat niet hier’.

Robert had de subtiele verandering in haar lichaamstaal en de toon in haar stem direct opgemerkt. Het leed geen twijfel dat ze drommels goed wist hoe ze zich beter kon gedragen en de gedachte dat ze op haar gedrag aangesproken zou worden, maakte haar nerveus.


***********


In de zes jaar dat Marjo van Veen bij haar oom woonde, was haar heel duidelijk geworden hoe haar oom met het gedrag wat ze daarnet vertoonde om zou gaan. Haar houding en gedrag waren precies de reden dat men haar naar Vlieland gestuurd had. Dat tezamen met een paar akkefietjes die haar met justitie in aanraking hadden gebracht.

Haar vader was overleden toen Marjo elf jaar oud was. Hij had haar moeder met drie kleine kinderen achtergelaten. Marjo was de oudste en het meest van de kaart door de dood van haar vader. Ze had op zijn overlijden gereageerd door zich terug te trekken uit het contact met haar moeder en broertje en zusje. In een misplaatste poging om nog meer pijn op te lopen als ze hen ook zou moeten missen, trok ze zich van hen terug en raakte betrokken bij een groep pubers waar drugsgebruik en kleine criminaliteit heel gewoon was. Na drie mislukte pogingen van de Stichting Jeugdzorg om haar weer op het rechte pad te krijgen, had haar moeder Marjo naar Vlieland gestuurd, naar de oudere broer van haar overleden echtgenoot.

Marjo was niet een slecht kind, maar neigde er naar impulsief en koppig te zijn. Dit gecombineerd met een opvliegend en rusteloos karakter maakte dat ze niet een katje was dat zonder handschoenen aangepakt kon worden. Het eerste jaar op het eiland was moeilijk voor haar geweest. Haar oom was streng en soms hardvochtig. In eerste instantie had ze het idee in de hel op aarde terecht gekomen te zijn, maar er zat ook iets goeds en rustgevends in het geordende en gestructureerde leventje dat het wonen bij haar oom en zijn manier van reageren op haar, met zich mee brachten. Ondanks haar gedrag en pittige attitude leek hij oprecht van haar gecharmeerd te zijn. Het had wel een jaar geduurd voor Marjo dat onder ogen had gezien. Ze verzette zich tegen die gedachte. Veel van haar verzet kwam voort uit haar angst iets wat haar dierbaar was te moeten verliezen, zoals ze eerder haar vader had verloren. Maar uiteindelijk had ze zich gesetteld. De rust en de structuur deden haar veel goed, al zou ze dat nooit aan iemand, zelfs niet aan zichzelf, toegeven.

Niet zolang geleden was Marjo in haar oude gedrag teruggevallen. Vlak voor het eindexamen van de middelbare school had de ongehoorzaamheid en brutaliteit weer de kop op gestoken. Ze voelde zich zowel rusteloos als bang. Het was tijd dat ze besluiten ten aanzien van haar toekomst moest nemen. Tegelijkertijd moest ze aan de verwachtingen van de buitenwereld voldoen. Zes jaar lang had ze verlangd om het eiland te verlaten en terug te keren naar de ‘normale’ wereld en nu het zover was dat ze die keuze zou kunnen maken, was ze bang. Ze ging dit dilemma uit de weg door maar steeds geen keuze te maken en door anderen tegen haar in het harnas te jagen zodat ze weggestuurd zou worden. Angst en onzekerheid dat ze verkeerde keuzes zou maken gecombineerd met haar koppigheid en trots weerhielden haar ervan toe te geven dat ze het erg naar haar zin had op Vlieland en niets liever wilde dan er te blijven. Tegelijkertijd zorgden de ergernis over haar eigen passiviteit aan de ene kant en de druk om iets van haar leven te maken, aan de andere kant voor verwarring.

Die ochtend, was Robert het slachtoffer van die passief agressieve houding.


***********

‘Hoe is het eigenlijk met Wim?’, vroeg Robert.

Marjo deed net of ze die vraag niet gehoord had en zocht naar een manier om hem tegemoet te treden. De vrouw van verderop, die vorige week overleden was, heette de Jong. Misschien was dit één van zijn kinderen. Waarschijnlijk wel, omdat hij gezegd had dat hij op Vlieland opgegroeid was en zij hem niet kende. Er woonden wel meer de Jongs op het eiland, maar geen van hen op deze kant van het eiland en geen van hen zou zo snel op dit stuk strand gaan wandelen.

‘Je bent één van die deserteurs, is het niet?’ Eén van die kinderen van de Jong, die hun moeder in de steek hebben gelaten en die haar hebben laten opdraaien voor al het werk daar?’ De uitdagende toon in de stem van Marjo was teruggekeerd. Ze dacht dat ze iets gevonden had om de zelfverzekerde man die voor haar stond, van zijn stuk te brengen.

Haar woorden deden Robert meer pijn dan hij toe wou geven. Schuldgevoelens zijn een krachtige emotie, maar de meeste mensen zullen ze liever voor andere mensen verborgen houden. In plaats daarvan komen ze meestal op een andere manier aan de oppervlakte. In het geval van Robert was het in de vorm van boosheid.

‘Je bent echt een vervelend, arrogant meisje, of niet’, snauwde hij terug.

‘Nu was het de beurt aan Marjo om zelfingenomen te grijnzen. ‘Dat was een schot in de roos’, dacht ze bij zichzelf.

‘Kijk niet zo naar me!!! Ik zeg alleen maar wat ik gehoord heb! Zoals je al zei, ik kom van de vaste wal’, haar stem klonk fluweelachtig onschuldig. Ze herhaalde zijn eerdere woorden en wreef tegelijkertijd zout in de oude wonden.

‘Hoe heet je?’ Deze keer had de toon in Robert’s stem een antwoord geëist en nu ze de reactie had die ze wilde, was Marjo bereid deze te geven.

‘Marjo’, antwoordde ze. ‘Marjo van Veen’.

‘Het wordt tijd dat je eens manieren bijgebracht worden, Marjo van Veen’, zei Robert die al snel zijn autoritaire houding had hervonden, koeltjes.


’Nou en?’, Marjo haalde haar schouders op. Ze liep de inham uit het strand op.

Ze liep naar de branding en pakte daar grote schelpen op die ze met een sierlijke boog in de branding gooide.

Robert was achter haar aangelopen en keek op een klein afstandje toe. Ze was aantrekkelijk en onuitstaanbaar tegelijkertijd. Iets in haar uitdagende karakter prikkelde hem. Ze had af en toe een lesje nodig om haar houding wat op te poetsen, dat was wel zeker.

Robert glimlachte toen hij zich bedacht hoe hij die taak wel ter hand zou willen nemen. En de gevoelens die deze gedachten bij hem teweeg brachten hadden niets met ouderschap te maken.

‘Hoe oud ben je?’, vroeg hij nadat een paar minuten verstreken waren.

‘Oud genoeg’, Marjo keek hem aan en gaf een nietszeggend antwoord.

‘Veertien? Vijftien?’, vroeg Robert uitdagend.

‘Negentien als je het zo nodig wilt weten’, beet ze hem toe. Haar trots liet haar in zijn val lopen.

Robert glimlachte inwendig. Ze was nog jong, maar oud genoeg om er garant voor te staan dat zijn gedachten niet strafbaar waren.

‘Hoelang woon je al bij Wim?’

‘Je stelt wel veel vragen’, mompelde Marjo. ‘Waarom doe je niet gewoon wat ik je gevraagd heb? Bemoei je met je eigen zaken en hoepel op van mijn strand’.

‘Mijn eigen zaken?’, Robert glimlachte opnieuw. ‘Mijn eigen zaken bestaan uit een rustig ochtendje waarin ik opnieuw kennismaak met mijn thuis. Zal ik anders de duin even opklimmen en Wim begroeten?’

‘Nee’, antwoordde Marjo, eigenlijk te snel. ‘Hij is niet thuis. Hij is naar de haven om gasten van de boot op te halen’.

‘Oh prima! Dan zal Bea vast de koffie klaar hebben om ze te verwelkomen. Ik ga maar even naar haar toe, er zal vast een bakkie inzitten voor een buurman’. Robert draaide zich om naar de duin en begon de houten treden op te lopen die bedoeld waren om het beklimmen van de metershoge duin te vergemakkelijken.


’Klootzak!’, gromde Marjo binnensmonds, terwijl ze zo onverschillig mogelijk over zijn voornemen probeerde te doen.

‘Wat hoor ik daar?’, vroeg Robert. De wind had haar woorden gedragen en hij had goed verstaan wat ze gezegd had.

‘Laat maar zitten’, zei Marjo.

‘Je gaat te ver met die brutale mond van je. En dat zal je vroeg of laat bezuren’, waarschuwde Robert.

‘Nou en? Wat gaat jou dat aan?’

‘Dat is voor jou een vraag en voor mij een weet, of niet soms? Maar als je zo doorgaat zul je daar snel achter komen’. Robert zette een paar stappen in haar richting.

Marjo draaide zich om, zodat hij de blos op haar wangen niet zou kunnen zien. ‘Jeetje, wat was die vent irritant!’, dacht ze bij zichzelf. Maar hij gaf haar tegelijkertijd de kriebels. Ze liet haar gedachten afdwalen naar, ‘wat als hij zijn dreigement waar zou maken?’. Die gedachte was heel spannend.

‘Donder toch op, klootzak!’, gromde ze opnieuw binnensmonds en bukte zich voorover om weer een paar stenen op te rapen.

Robert was in een paar passen bij haar. En voordat Marjo overeind kon komen en de benen kon nemen, had hij haar bij haar sweater gepakt en haar voor zich uit geduwd. ‘Kom maar met me mee, dan kun je me opnieuw aan Wim en Bea voorstellen’, siste hij in haar oor.

‘Hee! Laat me los!’, Marjo probeerde zich los te trekken. Haar sweater was wijd en rekte flink uit, maar ze slaagde er niet in voldoende afstand tot Robert te creëren.

Robert liet zijn rechterhand hard op haar bips terecht komen.

‘Auw! Goddomme! Laat me los!’, gilde Marjo.

‘Kom mee”, zei Robert gebiedend. Hij zette zijn woorden kracht bij door nog een keer hard toe te slaan.

‘Verdomme”, gilde Marjo opnieuw, terwijl ze aan de sweater trok en hem probeerde uit te doen zodat ze aan hem kon ontsnappen. Maar voor ze uit haar trui kon glijden, verplaatste Robert zijn grip en pakte haar bij haar arm. ‘Niet doen!’, klaagde Marjo.

‘Kom mee’, herhaalde Robert.

‘Nee! Ik ben nog maar net beneden!’, hoe nietszeggend haar excuus ook klonk, ze wist niets beter te bedenken. Deze lange en sexy meneer had haar daarnet op haar billen geslagen. Deze opwindende mogelijkheid was even tevoren als een electische schok door haar lichaam gegaan en nog geen minuut later was het echt gebeurd!

‘Niets aan te doen, kom mee’, de gezichtsuitdrukking van Robert stond donker en waarschuwend. Marjo reageerde hierop, door te proberen zich uit zijn grip te bevrijden.

‘Nee!’

‘Ja’, Robert trok haar terug. Zonder noemenswaardige moeite trok hij haar tegen zich aan. Hij draaide haar om en liet zijn hand wederom vier keer hard op haar billen neerkomen.

‘Auw! Shit!’, Marjo probeerde haar heupen weg te draaien zodat hij niet meer bij haar billen zou kunnen komen. De klappen brandden op het vlees onder haar spijkerbroek.

‘Dat was voor vloeken, liefje, meekomen nu!’, herhaalde Robert. Als je nu niet vrijwillig met me meekomt, dan zorg ik dat je dat over een paar minuten wel doet, maar dan met hele zere billen. Is dat wat je wilt?’


Aangewakkerd door haar eigen koppigheid en geheime verlangens, zou Marjo een paar minuten geleden mogelijk ja gezegd hebben. Maar haar bips had nu gevoeld dat Robert geen loze dreigementen uitte. En hoe opgewonden ze ook was, Marjo besloot dat ze voor dit moment genoeg van haar fantasie beleefd had. Het deed in werkelijkheid veel te zeer!

‘Ok!’, zei Marjo klagend en begon gehoorzaam in de richting van de trap te lopen.

Robert lachte inwendig terwijl hij het brutale meisje voor zich uit de trap op leidde. Hij was bijna teleurgesteld dat ze haar verzet opgegeven had en besloten had mee te werken. Ze mocht dan een hooghartig uitdagertje zijn, hij zou zich er wel mee redden.

In het huis van de van Veens bracht Robert een paar gezellige uren door in de keuken met Bea en Wim. De tijd vloog voorbij terwijl het echtpaar Robert bijpraatte over de handel en wandel van zijn moeder in de afgelopen jaren. Ze vertelden hem ook over Marjo, hoe en waarom ze zo bij hen terecht gekomen was. Ze praatten lang over dat Marjo de laatste tijd zo’n geweldige terugval in haar gedrag had. Toen Robert later zijn plannen uiteenzette over pension ‘Zeezicht’, kwam Marjo opnieuw ter sprake.

Robert vertelde dat hij met de gedachte speelde het pension en de winkel op te knappen en het zowel voor de toeristen als voor de vrouwen die souvenirs maakten te heropenen. Bea had het idee geweldig gevonden

‘Dat zou heel erg mooi zijn Robert! En weet je? Marjo kan je mooi helpen! Ze heeft veel talent wat inrichten betreft, ook al zal ze dat niet toegeven’, leek de oudere vrouw al plannetjes te smeden.

 
Robert lachte en Wim ook.

‘Als ze hem niet eerst tot waanzin heeft gedreven!’, glimlachte Wim. ‘Marjo, schatje, kom eens hier?’

Toen ze binnenkwam verbaasde Marjo zich erover dat haar oom in zo’n goed humeur was. Ze had wel even in de rats gezeten toen de oudere man thuisgekomen was, ze zorgde dat ze een flink eind uit de buurt was, voor het geval Robert hem over haar brutale gedrag op het strand zou vertellen. Ze had wel verwacht dat ze erbij geroepen zou worden, maar was verbaasd dat ze geen standje, of nog erger, kreeg.

Het verzoek om Robert te helpen bij het opknappen en herinrichten van “Zeezicht’, kwam als een verrassing. Haar eerste reactie was om er niet op in te gaan, maar iets in haar nam haar tegen zich zelf in bescherming. Ze ging akkoord.


Toen Robert weer onderweg was naar huis, zat hij vol met plannen, die een paar uren eerder nog uiterst vaag waren. Hij liet zijn gedachten ook naar het knappe, vlasblonde meisje gaan, wiens hooghartige en irriterende houding op de één of andere manier onder zijn huid is gaan zitten.


Marjo keek Robert na toen hij in zuidelijke richting het onverharde pad, dat evenwijdig liep aan het strand, afliep. Ze vroeg zich af waarom hij haar oom niets verteld had van haar onbeschofte gedrag. Ze vroeg zich trouwens wel meer af. Er was nog een vage prikkeling voelbaar waar zijn hand op haar billen terecht gekomen was. Ook in haar buik was een prikkeling voelbaar. Dat kwam door het sexy gevaar en de autoriteit die hij uitstraalde. Ze zou het vast wel met deze Robert de Jong kunnen vinden, dacht ze.